Home » 1 BRUSSEL TAALGEBRUIK » BELGIE HEEFT BRUSSEL VERFRANST

BELGIE HEEFT BRUSSEL VERFRANST

Geen redelijk mens zal betwisten dat Brussel een historisch Brabantse en Nederlandse stad is.

Wie een blik werpt op een landkaart merkt onmiddellijk dat Brussel ten Noorden van de Nederlands-Franse taalgrens ligt.

Vandaag vormt Brussel een meertalige enclave in het Nederlandse taalgebied.

Alle historische plaatsnamen in deze stad  zijn, zonder één enkele uitzondering, Nederlands.

Dit geldt eerst en vooral voor de naam “Brussel” zelf. Die komt van  “broeck” en “saal”, wat zoveel betekent als “nederzetting in het moeras”.

Ook in Duitsland, meer bepaald in Baden-Württenberg, ligt er een “Brussel”. In de “Bundesrepublik Deutschland” heet die stad echter  “Bruchsal”. Net als Brussel aan de Zenne was ook “Bruchsal” in de buurt van Karlsruhe, aanvankelijk een dorp in een drassig gebied. 

Het Brabantse Brussel omvat wijken en buurten met namen als “Warmoesbroeck”, “Ruysbroeck”, “Orsendael” (dal van de paarden), “Coudenberch” enz.

Tijdens de middeleeuwen droegen de vermogende Brusselse patriciërsfamilies namen als Uten Steenweghe, Rodenbeke, Weerts, Seroloefs, Tserclaes, Van Coudenberch, Van Ruysbroeck, ….

Uitgerekend die patricische “geslachten” monopoliseerden eeuwenlang  de macht in de Zennestad.  Deze gegoede burgers bestuurden hun stad in het Nederlands.  In de ambtelijke documenten ruimde het Latijn vanaf het einde van de 13de eeuw stilaan plaats voor het “Dietsch”, “Duutsch”, (Neder-) “Duytsch”.    

Bij het begin van de 21ste eeuw evenwel lijkt Brussel, op het eerste gezicht, een overwegend Franstalige stad te zijn.

Het ligt dan ook voor de hand dat er zich in de loop der tijden een evolutie heeft doorgezet ten gunste van het Frans.

Automatisch rijst dan ook de vraag wanneer dit is gebeurd en - vooral - welke factoren daartoe hebben bijgedragen.    

 

 

DE ERFENIS VAN VERLOOY

Reeds op het einde van de 18de eeuw hield die vraag de aandacht gaande van een Brussels advocaat: J.B.C. Verlooy (1746-1797).

Die aanhanger van de “Aufklärung” ergert zich in zijn beroemde “Verhandeling op d’onacht der moederlyke tael in de Nederlanden” (1788)  over de verwaarlozing van de Nederlandse taal en cultuur.

Als volleerd rationalist gaat Verlooy op zoek naar de oorsprong van de verfransing.

In navolging van auteurs uit de 16de eeuw, legt hij de verantwoordelijkheid voor de teloorgang  van het Nederlands bij de hertogen van Bourgondië. 

Die Franse vorsten waren - na het uitsterven van de autochtone Brabantse dynastie (1406) - aan de macht gekomen in Brabant. Zij hadden er het Frans tot bestuurstaal gemaakt in hun centrale administratie. Verlooy schrijft letterlijk: “Wy moeten deze vernedering van onzen volksaerd en afneming onzer konsten niet wyten, als aen ‘t huys van Burgondiën. Te weten, als dit aen de souveryniteyt dezer landen gekomen is, heeft het hier een groot huysgezin nagesleept. Het stelde terstond het gants gouvernement en d’eerste raden in ’t Frans.”

Met andere woorden: sedert het Bourgondisch bewind was in heel de Nederlanden (dus niet enkel in Brussel !) het Frans de voertaal niet alleen van het hof en de adel maar ook van de centrale staatsadministratie.

De Brabantse regionale instellingen en de plaatselijke instellingen bleven evenwel verder het Nederlands gebruiken. 

Verlooy’s uitspraak is zeer belangrijk. Deze rationele denker omschrijft hier immers zeer duidelijk het fundamentele verfransingsmecha­nisme.

Niet “Brussel” of “de Brusselaars” waren verantwoordelijk voor de verspreiding van het Frans in de Nederlanden.  Wel integendeel ! Vreemde machthebbers hebben in Brabant het Frans  ingevoerd.

Tot dan (1406) toe hadden de autochtone vorsten uit het huis van Leuven steeds de taal van het volk gerespecteerd. In de relaties met hun onderdanen  bedienden de Brabantse hertogen zich, naast het Latijn,  steevast  van het Nederlands. Alleen in Waals-Brabant, het agrarische “Roman païs de Brabant” werd - volkomen terecht - het Frans gebruikt.

Heel anders verliep het onder de Bourgondiërs.

Die vorsten maakten - althans op het centrale niveau -  het Frans tot de officiële bestuurstaal.

Die toestand  bleef  bewaard onder de andere vorsten die in de daarop volgende eeuwen over de Nederlanden regeerden.

Inderdaad. Zowel het centrale bestuursapparaat van de Spaanse (1482-1713) als dat van de Oostenrijkse (1713-1794) Habsburgers was overwegend Franstalig.  

De verfransing - hoe beperkt die overigens ook bleef - kwam dus niet van “Brussel” maar  van “Bourgondië” en later van “Habsburg”. 

Meer nog  ! Uitgerekend Brussel onderging - sterker nog dan de andere steden in de Nederlanden - de verfransende invloeden van buitenlandse machthebbers.

Met andere woorden: in tegenstelling tot wat kortzichtige flaminganten later zullen beweren was “Brussel” allerminst  dus de “boze dader” maar integendeel het eerste en ergste slachtoffer.

De Brusselaars - en niemand anders - hebben de zwaarste tol betaald aan de eeuwenlange vreemde overheersing in de Nederlanden.

Uitgerekend hun stad was immers sedert de 16de eeuw uitgegroeid tot de hoofdstad van de Nederlanden. De Franstalige centrale bestuursorganen zetelden in de buurt van de Koudenberg.

Zij voerden het beleid uit dat te Rijsel, Dijon, Madrid of Wenen uitgestippeld was.

Mensen die niet in de hoofdstad woonden, raakten er stilaan van overtuigd dat “Brussel” hen dit alles oplegde.

In werkelijkheid echter was niet “Brussel” maar integendeel “Bourgondië” (1406-1482) en  later “Habsburg” (1482-1792)   daarvoor verantwoordelijk.

Het gebruik van een verkeerde terminologie en een simplistische slogantaal zorgde ervoor dat “Brussel” stilaan uitgroeide tot de ideale zondebok voor al wat er misliep in de Zuidelijke Nederlanden.

Op de koop toe werd die afkeer nog vergroot doordat het centrale overheidsapparaat zich van het Frans bediende.

Toch was uitgerekend het zo vaak vermaledijde “Brussel” het ergst blootgesteld aan de verfransende invloeden van de Bourgondiërs en Habsburgers.

Ook Verlooy zelf trouwens besefte dit maar al te goed. Die advocaat schrijft dan ook: “Dus al wat iet was, of iet wilde wezen, sprak het Frans. Door dit wulig en volkryk hof en zoo menige Fransche opper- en onderbediendens der Raden die men moest uyt Vrankryk trekken, was deze stad [= Brussel] overstroomt van Fransmans en nam zoo veel mogelyk hunne tael ook aen.” De taal van het hof, de adel, de regering en de centrale instel­lingen werd dus “aenveerd en geëerd door de hoofdstadt.”

Verlooy  verklaart evenwel zeer uitdrukkelijk dat dit niet alleen het geval was in Brussel maar ook in heel de Nederlanden.

Dit valt ook gemakkelijk te begrijpen.  Reeds tijdens de middeleeuwen was het Frans sterk verspreid in het graafschap Vlaanderen, een leen van de Franse koning. In dit vorstendom (Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Zeeuws-Vlaanderen en Frans-Vlaanderen) moest men dus zeker niet op de Bourgondiërs wachten om het Frans te gebruiken. De Vlaamse “leliaerts” bedienden zich reeds veel vroeger  van die taal.

Onderzoek in de stadsarchieven van Gent, Brugge en Ieper toont aan dat vóór 1500 zo maar eventjes 30 tot 60 % van de akten in het Frans gesteld zijn…

In Brussel was de situatie totaal verschillend.

In de Zennestad ligt dit percentage Franstalige oorkonden …beneden 1 %.  Brussel behoorde immers niet tot Vlaanderen maar tot Brabant. Welnu Brabant  (het “Brussels Hoofdstedelijk Gewest” en de provincies “Noord-Brabant”, “Antwerpen”, “Vlaams-Brabant” en “Waals Brabant”) vormde een onderdeel van het Duitse Rijk.

De rijke Brusselse patriciërsfamilies “geslachten” bedienden zich dan ook steevast van het (Neder-) Duytsch.

Niet alleen het stadsbestuur maar ook de lakengilde, de ambachten, de kerken, de kloosters, de hospitalen, de godshuizen, de rederijkerskamers, de  schuttersgilden enz… bedienden zich van die taal.

Nu waren dat uitgerekend de instellingen waarmee een Brusselaar in contact kwam.

De doorsnee burger kreeg immers slechts uitzonderlijk te maken met de hofhouding en de centrale administratie van de Bourgondiërs en van de Habsburgers.

Bovendien vormden het hof, de Raad van State, de Geheime Raad en de Raad van Financiën eerder gesloten milieus.

Toch ging van die instellingen een zeker prestige uit. De gewone man keek dan ook op naar die hogere kringen.

Maar ook dit fenomeen was allerminst typisch voor Brussel.

Verlooy zelf schrijft in zijn  “Verhandeling” dat niet alleen in Brussel maar ook in ‘het geheel land’ het Frans opgehemeld werd met een ‘blinde ingenomendheyd’.

Toch besteedt die advocaat begrijpelijkerwijze vooral aandacht aan de toestand in Brussel. Dit is nu eenmaal de stad waar die jurist zelf leeft en werkt. Hij pleit er bij de Raad van Brabant, een gebouw dat vandaag dienst doet als federaal parlement.

Verlooy schrijft: “Maer de Nederduytsche tael is hier wel anders mishandelt by ons , en voor al in Brussel: zy is in deze stad niet alleen veronachtzaemt, maer ook veracht… geenen Brusseler oft hy zal beleyden dat hy nooit sermoon kan schoon vinden in’t Vlaems maer dat dit moet in’t Frans en van eenen Fransman zyn”.  

Die passage heeft in sterke mate bijgedragen tot de vorming van een anti-Brusselse stroming in de Vlaamse Beweging.

Generaties leerlingen van het middelbaar onderwijs kregen die tekst te lezen. Hij prijkt  ondermeer in het handboek van de jezuïet M. Dierickx, Geschiedenis van België en van onze eigen tijd (Antwerpen, 1967).  Alleen al de titel boven dit uittreksel laat aan duidelijkheid niets te wensen over: “Advokaat Verlooy hekelt de Brusselaars die het Vlaams misprijzen”.

Gevolg: tot vandaag zijn vele Vlamingen er heilig van overtuigd dat de Brusselaars altijd al “arrogante lieden” zijn geweest. Zij heulden samen met de buitenlandse machthebbers die onze gewesten regeerden: de Bourgondiërs, de Spaanse en de Oostenrijkse Habsburgers, de Franse republiek.

Volgens het klassieke anti-Brusselse vooroordeel zouden de Brusselaars van oudsher een blinde bewondering gekoesterd hebben voor al wat Frans is en een grondige afkeer voor al wat Vlaams is. Daarom ook hebben zij zich laten verfransen.

Het besluit ligt dan ook voor de hand: Brusselaars zijn lieden die vanuit Vlaams opzicht niet te vertrouwen zijn. Men is hen beter kwijt dan rijk.  Brussel vormt “een blok aan het been van Vlaanderen” Hoe eerder men van die “olievlek” of die “kankerplek” verlost is hoe beter.

Frans Crols en anderen pleiten er dan ook voor om Brussel gewoonweg te laten vallen.

Tijdens de laatste jaren verkondigen de aanhangers van de traditionele “anti Brussel-ideologie” een nieuwe stelling: “Was Brussel er niet geweest dan zou Vlaanderen al lang onafhankelijk zijn geweest”.

Ongelooflijk maar waar !

Net alsof wij Brusselaars ook maar één seconde in staat zouden zijn geweest om de Vlamingen te beletten hun onafhankelijkheid uit te roepen indien die dat echt zouden willen. Zo machtig zijn wij echt niet !

Het ingeboren conservatisme van de Vlamingen en hun angst voor echte veranderingen wegen inderdaad oneindig veel zwaarder door dan de zogenaamde macht van “Brussel”.

Voor de zoveelste maal zoeken de Vlamingen een “Brusselse zondenbok” als alibi voor de eigen inertie en de eigen zwakheid.     

 

De voormelde uitspraak van Verlooy over de zogenaamde Fransgezindheid van de  Brusselaars moet men echter lezen in zijn correcte context.

Vele flaminganten schijnen nog steeds te geloven dat die 18de eeuwse advocaat een “Verhandeling op d’onacht der moederlyke tael in Brussel” heeft geschreven.

Toch luidt de titel van zijn traktaat wel degelijk “Verhandeling op d’onacht der moederlyke tael in de Nederlanden”.

Verlooy hekelt overigens het gebrek aan waardering voor de volkstaal niet alleen in de Zuidelijke maar ook in de Noordelijke Nederlanden.

Hij schrijft letterlijk: “In de Vereenigde Provinciën is het Nederduyts wel niet veronachtzaemt gelyk hier; maer het is eventwel ook niet zeer bevoordeelt nog wegens den staet, nog wegens ’t volk” (37,77)

Verlooy is een rationele denker die zich door de Rede laat leiden.

Toch slaagt ook hij daar niet altijd in. Inderdaad. Ook bij hem vindt men reeds sporen van de kortzichtige anti-Brusselse vooroordelen die later volop opgang zullen maken bij de flaminganten.

Deze jurist  geeft daarbij trouwens blijk van een zekere schizofrenie. Inderdaad. Die Kempense inwijkeling verwijt de Brusselaars dat zij opkijken naar het Frans.

Maar … wat doet Verlooy zelf  ? Hij verklaart uitdrukkelijk dat het Frans veel meer te bieden heeft dan het Nederlands: “En inderdaed wat zyn wy in kosten ten aenzien van de Fransche ? Wat hebben wy te stellen tegen die ontalbaere menichte van groote namen in de wetenschappen ? Tegen Voltaire, Boileau, Montesquieu, Corneille, Nolet, Rolin, Molière, Raynal, Linguet, Beaumarchais en duyzent andere ? ”

Begrijpe wie kan !   Verlooy die de Brusselaars meent te moeten schandvlekken omwille van hun zogenaamde Fransgezindheid,  dweept zelf - als geen ander ! -  met de Franse taal en cultuur

Meer nog hij verklaart onomwonden dat alle Nederlanders dat doen. De eerste regels van zijn verhandeling luiden als volgt: “ Wij vinden ons in de Nederlanden, bezonderlyk hier in d’Oostenryksche , in konsten en wetenschappen verre onder onze naebueren. Het en is niet noodig om dit te bewyzen : want eeniegelyk by ons houd-zig, helaes hier - van zoo vast overtuygt, dat hy niet het minst zal twyffelen , oft het is aen eenen Nederlander onmogelyk van in eenige konsten de Fransche t’overtreffen. Die overtuygtheyd gaet zelfs zoo verre , dat ons niets schoon nog groot en dunkt , of’t moet van Vrankryk zyn”.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

“L’EUROPE FRANCAISE”

Verlooy is wel zo eerlijk er aan toe te voegen dat niet alleen in Brussel maar in heel de Nederlanden en zelfs in heel Europa, de gegoede klasse dweept met het Frans en de volkstaal veracht.

De Kempense jurist verwijst naar Frederik de Grote, koning van Pruisen. Die voerde zijn hofhouding in het Frans en verschafte in Sans-Souci onderdak aan de verlichte filosoof Voltaire.

In heel de Nederlanden gold destijds als devies: “Al dat Fransch is staet my aen”  en “Wie geen François en kan en magh niet mede”. Tijdens de 18de eeuw schrijft de reiziger A. Damiens de Gomicourt in “Le voyageur dans les Pays - Bas autrichiens” dat de Gentenaars een grote voorliefde koesterden voor het Frans.

Onderzoek van de oorkonden bewaard op het Gentse stadsarchief toont aan dat  reeds tijdens de middeleeuwen in de Arteveldestad courant het Frans gebruikt werd.

In de 16de eeuw vroeg Lodewijk van Nassau aan predikant Fontanus waar hij het best Frans kon gaan studeren. Lodewijk kreeg prompt de raad naar … Gent te trekken: “où la langue française est fort ustitée”.

Verhoeven schrijft over de Mechelaars: “Men leert er geen Vlaamsch meer, zelfs wordt verboden van Nederduytsch te spreken…men spreekt dan niet als Fransch en ’t is een teeken van grooten voortgang in die taele gedaen te hebben, met te zeggen dat zij de Nederduytsche ganschelijk vergeeten hebben”.

Ook de Antwerpenaars dwepen met het Frans. Dit hoeft geen verwondering te wekken. Anno 1356 was de Brabantse Scheldestad veroverd door de troepen van de graaf van Vlaanderen, Lodewijk van Male. Die Vlaming had aanvankelijk ook Brussel en Leuven veroverd. De Brusselaars waren er echter in geslaagd de Vlaamse bezetter te verdrijven. Dit was vooral het werk van Everard Tserclaes. De patriciër kreeg tijdens de 19de eeuw een monument naast het stadhuis. Brusselaars en toeristen strelen er het ligbeeld van de bevrijder van de Zennestad.

De Brabantse stad Antwerpen echter bleef in 1356 verder door de Vlamingen bezet.    De Scheldestad die tot dan toe - zoals de andere Brabantse steden - enkel in het Latijn en het “Duytsch” bestuurd werd - maakte onder het Vlaams bewind kennis met de verfransing.

De gevolgen daarvan bleken een eeuw later. Toen kregen de Antwerpenaars meermaals Franstalige privileges van de Bourgondische hertogen.

De Vlamingen hadden in Antwerpen immers een francofone traditie ingevoerd.

Brussel daarentegen bleef daarvan gespaard. Daarom ook zijn vrijwel alle oorkonden van de Bourgondische hertogen voor de stad Brussel… in het Nederlands gesteld.

Ook tijdens de 16de eeuw was het Frans sterk verspreid in Antwerpen. Het was de gebruikelijke taal niet alleen van Willem van Oranje en Marnix van Sint Aldegonde maar ook van de internationale handelaars. Wanneer de Brusselse jezuïet Carolus Scribani zich te Antwerpen vestigt is hij verwonderd over de grote ijver waarmee de Sinjoren zich toeleggen op de studie van het Frans. Ook buitenlanders kwamen tot dezelfde vaststelling. De Florentijn Lodovico Guicciardini schrijft in zijn “Descritione …di tutti i Paesi Bassi” (1547) dat “la lingua Franzese” te Antwerpen volop onderwezen  wordt in talrijke scholen. Guicciardini verwacht zelfs dat het Frans in de Scheldestad zou uitgroeien tot een soort moedertaal: “che in brieve tempo ci si parlera generalmente quasi come la lingua materna”. Tijdens de 17de eeuw werd in Antwerpen trouwens een “Gallica Sodalitas” opgericht.

De “gallomanie” bleef overigens allerminst beperkt tot de grote steden als Antwerpen en Gent. 

Zelfs in kleinere centra zette de “francomanie” zich door. Zo lieten de gegoede burgers van Dendermonde voor officiële plechtigheden Franse gelegenheidsgedichten drukken.

Een 18deeeuwse auteur noteert dat men bij de Brugse vrouwen enkel Frans hoort… In 1760 richt een Fries te Maastricht een “Grande société” op ten behoeve van de “gens de distinction”.

Ook in de Noordelijke Nederlanden geeft het Frans de toon aan. De vrouwen uit de hogere burgerij van Den Haag schamen zich over het Nederlands. Van Zuylen schrijft: “Je n’aime point mon pays”. In 1772 verklaart  een leraar Frans uit Franeker dat de Hollanders sinds een paar tientallen jaren het Frans boven hun moedertaal verkozen.

Nog bij het begin van de 19de eeuw stelt  een Oranjeklant als Bilderdijk onomwonden: “L’intérêt         commun de la Hollande et de la France paraît donc exiger avec l’introduction de la langue Française , la suppression du langage hollandais”.

De verachting voor de volkstaal was overigens geen typisch Nederlands fenomeen. Ook andere volkeren in Europa leden aan die kwaal. Reeds Dante Alighieri (1265-1321) had de Italianen gehekeld die hun eigen taal misprezen en zich toelegden op de taal van anderen (het Frans). Hij viel uit tegen:  “gli malvagi uomini d’Italia, che commendono lo volgare altrui , e lo proprio dispregiano”.

In het door de Normandiërs (Hastings 1066) veroverde Engeland groeide het Frans uit tot de taal van de adel en de gegoede klasse.

Het Engels - vandaag universele communicatietaal bij uitstek -  was er eeuwenlang de taal van de boerenpummels.

In Duitsland luidt het devies: “Wer nicht Frantzösisch kann, ist kein gerühmter Mann !”.  Vele Duitsers beschouwen hun moedertaal als een allegaartje van schabouwelijke dialecten: “Rien n’est plus plébéien que de se servir de l’Allemand dans une lettre et tous les gens de qualité emploient le Français”.

Seiler hoopt dat het Frans de Duitsers zou verheffen uit hun middelmatigheid terwijl Madame de Staël vaststelt dat Frederik de Grote de Duitse natie misprijst.

Kinderen uit de betere kringen in Zweden en Polen beheersen het Frans beter dan hun eigen moedertaal. Poolse meisjes kijken smalend neer op de Poolse literatuur en Hongaarse edelen verachten het Hongaars.      

Kortom:

Verlooy’s uitspraken over de zogenaamde Fransgezindheid van de Brusselaars moeten dan ook in een ruimer Europees kader geplaatst worden.

Maar al wie erop uit was Brussel af te schilderen als “bron van alle kwaad” had geen oog voor die bredere context en die nuancering.

Steevast werd (en wordt nog steeds)  verkondigd dat de Brusselaars altijd al snode franskiljons zouden geweest zijn die reeds tijdens de Bourgondische periode hun moedertaal hadden ingeruild voor het Frans.

Het gold en geldt nog steeds als een onbetwistbaar dogma dat het Frans, reeds lang vóór de Franse Bezetting (1792-1815),  te Brussel dominant geworden was.

In 1985 bleek op schrijnende wijze hoe sterk die absurde opvatting leeft  onder het brede publiek.

Dat jaar hield Prof. Kas Deprez een enquête bij de studenten van de eerste en tweede licentie Germaanse filologie van de Universiteit te Antwerpen.

Die toekomstige filologen (mensen dus die constant met taal bezig zijn) “geloofden” dat er in Brussel anno 1788 zo maar eventjes 60 % franstaligen woonden. In werkelijkheid echter waren het er amper 5 %.

Met andere woorden: op de vooravond van de Franse Bezetting (1792-1815) was niet minder dan 95 % van de Brusselaars Nederlandstalig.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SYSTEMATISCH WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK

 

Vooral de Vlamingen - vaak meer nog dan de franstaligen - zijn telkens weer geneigd de verfransing van Brussel tijdens het “Ancien Regime” schromelijk te overschatten.

Andermaal blijkt hoe slecht zij Brussel kennen. Informatie en vorming blijven dan ook broodnodig. Die moeten evenwel gebaseerd zijn op wetenschappelijk onderzoek. Op dit vlak werd tijdens de laatste jaren heel wat werk verricht en dit vanuit diverse disciplines.   

Sinds 1977 vormt het taalgebruik te Brussel vóór 1794 het voorwerp van systematisch archiefonderzoek. In een eerste fase (1977-1978) werden alle (!) documenten daterend vóór 1500 en bewaard in de archieven van de plaatselijke Brusselse instellingen  gecontroleerd.

Uit dit onderzoek  bleek dat  - zelfs tijdens het Bourgondisch bewind (1406-1482) - de Brabantse stad Brussel beduidend Nederlandser was dan Vlaamse steden als Gent, Brugge en Ieper.

In de duizenden Brusselse documenten uit de periode vóór 1500 werden er slechts drie (!) Franstalige oorkonden van de schepenen van Brussel gevonden.

Op de koop toe waren die drie akten niet eens bestemd voor de Brusselaars maar integendeel voor de hertogen van Bourgondië of hun administratie.

Het is overigens best mogelijk dat die documenten in feite werden opgesteld door de Bourgondische instanties zelf en vervolgens ter bezegeling voorgelegd aan de Brusselse wethouders (de zgn. “destinatarisredactie”).         

In 1980 startte een tweede fase van dit grootschalig onderzoek naar het taalgebruik in Brussel. Dit heeft betrekking op de stukken geschreven tussen 1500 en 1794.

Uit die periode zijn - ondanks de verliezen geleden bij het Franse bombardement van 1695 - een massa archiefstukken bewaard gebleven.

Daarom moest het onderzoek opgesplitst worden in meerdere deelstudies. Die hebben betrekking, hetzij op grote archieffondsen hetzij op bepaalde types van documenten.   

Bijzondere aandacht ging naar de stukken opgesteld door het Brusselse stadsbestuur zoals de stedelijke privilegieboeken, de teksten die bekend gemaakt werden (“gepubliceerd”) op de pui van het stadhuis, de rekeningen, de consignatieboeken, de gerechtelijke archieven enz.

Naast de archieven van de stedelijke administratie “stricto sensu”  kwamen ook die van de ambachten en van de hospitalen en godshuizen aan de beurt.

Verder werden een aantal kerkelijke archieven bestudeerd zoals die van de kapittelkerk van Sint-Michiel en Sint-Goedele en die van de parochie van Onze-Lieve-Vrouw ter Kapelle.

Dit zeer uitgebreid bronnenonderzoek laat toe een gefundeerd oordeel te vormen over het taalgebruik te Brussel tijdens het “Ancien Régime”.

Samengevat kan men stellen dat Brussel een Brabantse en Nederlandse stad is waar, vooral sedert de 16de eeuw, een Franstalige hofhouding en centrale staatsadministratie verblijft.

Nu is dit laatste allerminst typisch voor Brussel. In heel wat steden in Europa leefde er immers destijds een soortgelijke Franstalige minderheid: van Londen tot Berlijn, van Rome tot Sint-Petersburg.

De reeds vermelde Franse filosoof Voltaire verklaarde over Berlijn: “Je me trouve ici en France. On ne parle que notre langue… La langue qu’on parle le moins c’est l’Allemand. Je n’en ai encore entendu prononcer un seul mot”.        

Ook te Brussel woonde een beperkte francofone bovenlaag. 

Die had zich voornamelijk teruggetrokken in de aristocratische de buurt rond de Koudenberg en de Zavel.

Toch was in 1788 nog steeds ca. 95 % van de bevolking van Brussel (wat vandaag binnen de Kleine Ring ligt) Nederlandstalig.

Heel de administratie van de stad van hoog tot laag verliep dan ook in het Nederlands. De weinige malen dat men eens een franstalig stuk vindt, gaat het telkens om documenten  uitgaande van de Habsburgse overheden, van hovelingen en edelen of  van Walen en Fransen die voor kortere of langere tijd te Brussel vertoefden.

Het valt trouwens op dat, wanneer die inwijkelingen zich in het Frans richten tot het stadsbestuur, de Brusselse wethouders hen vaak antwoorden… in het Nederlands. 

Kortom vóór de Franse Bezetting wordt het Frans in Brussel slechts sporadisch gebruikt.

Dit blijkt onder meer uit de stedelijke “Publicatieboecken”. Op het Brusselse stadsarchief berust een indrukwekkende reeks van         publicatieboeken. Daarin staan de teksten die tussen 1635 en 1793 afgekondigd (“gepubliceerd”) werden op de pui van het stadhuis.

Zij hebben betrekking op alle mogelijke aspecten van het maatschappelijk leven en waren bestemd voor het ruime publiek. Men vindt in die “publicatieboecken” diverse voorschriften die elke Brusselaar moest naleven: bv. geen afval in de Zenne werpen, geen sneeuw van de daken gooien enz. 

Welnu van de 4. 036 documenten uit de periode 1635 tot 1793 is niet minder dan 95,3 %  ééntalig in het Nederlands. Slechts  4,7 % is in het Frans.

En waarover gaan dan die zeldzame Franstalige stukken ? Het zijn onder meer maatregelen betreffende een opstand in Hongarije … en stukken betreffende de vrijhaven van Triëst… Die documenten vindt men trouwens ook in de stadsarchieven van de andere Nederlandse steden.   

Tekenend voor de taaltoestanden te Brussel zijn ook de testamenten van de welstellende burgers ten gunste van minder bedeelden.

Op het archief van het “Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn” berusten 623 testamenten uit de periode 1500-1794 waarbij vermogende Brusselaars een schenking doen ten gunste van een of andere liefdadigheidsinstelling in de Zennestad.

Welnu van die documenten zijn er  91, 8 % in het Nederlands. Slechts 7,5 % van die testamenten zijn in het Frans en 0,7 % in het Latijn. Die Franstalige testamenten komen vrijwel allemaal van vorsten en edelen uit de Nederlanden, van mensen uit de centrale administratie en het leger en van vreemdelingen.

Ook uit andere documenten blijkt dat de hogere Brusselse burgerij zich op het einde van de 18de eeuw nog steeds van het Nederlands bediende.  

Het is trouwens tekenend dat tot aan de Franse Bezetting (1792-1815) de stadsrekeningen van Brussel in het Nederlands zijn opgesteld.

Gevolg: ambtenaren van de francofone Habsburgse administratie die Brusselse dossiers  behandelen, moeten uiteraard Nederlands kennen. Anders kunnen zij hun taak niet uitvoeren. 

Gevolmachtigd minister Cobenzl beschouwt dan ook het niet kennen van de Nederlandse taal ten aanzien van Brussel als “une espèce de défaut”. 

Daarbij aansluitend dient verwezen naar een feit dat boekdelen spreekt voor de taaltoestanden in het 18de eeuwse  Brussel. 

In 1752 richt de Oostenrijkse landvoogd Karel-Alexander van Lotharingen zich tot de Habsburgse machthebbers in Wenen. Hij doet dat uiteraard in het Frans. En wat schrijft Karel-Alexander ? Hij looft baron de Cazier, een Franstalig raadsheer bij de Raad van Financiën. Stel u voor ! Die man kende geen gebenedijd woord Nederlands maar hij  heeft op korte tijd  reeds zoveel vorderingen gemaakt bij de studie van die taal dat hij onlangs zelfs in staat was om …de rekeningen van de stad Brussel te controleren.    

Dit concrete voorbeeld illustreert zeer treffend het contrast tussen de verschillende bestuursniveaus.

Het hof en de centrale administratie (d.w.z. “Habsburg”) hanteert het Frans. Het plaatselijke niveau van de wethouders en ambtenaren van de Zennestad (d.w.z. “Brussel”) daarentegen gebruikt het Nederlands.

Meteen wordt duidelijk welke fenomenale dwaasheid het zou zijn om uitgerekend het centrale niveau  “Brussel” te noemen. Inderdaad !  Als men “Brussel” gebruikt om het Habsburgse machtsapparaat aan te duiden (nog geen 5 % van de bevolking van Brussel ) … welke term gaat men dan nog gebruiken voor de  overige 95 %  van de bevolking van deze stad ? 

Toch vervallen heel wat mensen nog steeds in dergelijke simplistische en populistische slogantaal.

Dit leidt fataal tot onoverkomelijke misverstanden en vooroordelen. Reeds Goethe wees op het enorme belang van een correcte terminologie. Enkel wanneer men de woorden in hun juiste betekenis gebruikt, wordt het mogelijk de verschillende actoren duidelijk te onderscheiden. Alleen zo kan men de maatschappelijke processen juist inschatten. In “Faust” pleit Goethe zeer terecht voor een juiste terminologie. Die laat ons toe “door een veilige poort de tempel der zekerheid te betreden” : “Haltet Euch am Worte ! So geht ihr durch sichere Pforte den Tempel der Gewissheit ein !”         

Kortom: “Brussel” gebruikt  systematisch het Nederlands tot aan de Franse bezetting op het einde van de 18de eeuw. De weinige Franstalige documenten die men in de Brusselse archieven aantreft gaan uit van “Bourgondië” en van “Habsburg”. Ook een paar ingeweken Walen en Fransen en  andere buitenlanders proberen af en toe het Frans te gebruiken. 

 

EEN VERZWEGEN UITSPRAAK  VAN VERLOOY

Ook Verlooy vestigt er in zijn “Verhandeling” meermaals de aandacht op dat het Frans te Brussel werd ingevoerd door vreemden (en dus niet door de Brusselaars !).

Deze Kempense advocaat verklaart uitdrukkelijk: “dat het Frans hier te Brussel maer een’ vremde, ingeëntte en reeds verbasterde spraek is”.

Hij voegt er nog aan toe dat in Brussel “het Nederduyts d’oorspronkelyke moederlyke tael is”.

Bovendien stelt de aanhanger van de “Aufklärung” vast dat te Brussel nog in 1788 (d.w.z. amper vier jaar vóór het begin van de Franse bezetting ) heel het bestuur en het gerecht enkel (sic !) in het Nederlands verlopen: “dat ook tot den dag van heden toe alle zaken van justicie en policie in’t Nederduyts alleen verhandelt worden”.

Uit al die vaststellingen trekt Verlooy het onontkoombaar  besluit dat men Brussel enkel kan beschouwen als een Nederlandse stad: “volgt dat men Brussel niet moet aenzien dan als een’ enkel Nederduytsche stad”.      

Die uitspraak is zeer belangrijk. Verlooy had immers zelf  een paar pagina’s eerder uitgehaald naar de Brusselaars. Hij verweet hen dat zij hun moedertaal onvoldoende respecteerden.

Toch moet diezelfde auteur een weinig verder in zijn betoog toegeven dat uitgerekend diezelfde Brusselaars zich anno 1788 én in administratie én in gerecht nog altijd uitsluitend van het Nederlands bedienen…

Verlooy gaat nog een stap verder ! Hij verklaart uitdrukkelijk dat de verfransing van Brussel in zijn tijd (1788) nog steeds zo weinig te betekenen had dat - indien de overheid een ander beleid zou voeren - dit fenomeen in de kortste keren zou verdwenen zijn.

Deze advocaat bij de Raad van Brabant schrijft letterlijk: “het welk, met een ander politiek te volgen als dat van heden, wel haest verdwenen waer”. 

Al die citaten van Verlooy laten aan duidelijkheid niets te wensen over.

Toch hebben zij om een of andere mysterieuze reden nooit de aandacht gekregen die zij verdienden Wel integendeel ! Van oudsher hebben de flaminganten over Verlooy enkel onthouden dat de Brusselaars altijd al hun moedertaal veracht hebben en dat Brussel al Frans was onder de Bourgondiërs.

Die wel zéér selectieve lezing van de “Verhandeling” kan enkel verklaard worden door een onthutsende  vooringenomenheid.

De flaminganten hebben “Brussel” gelijkgeschakeld met  “België”. Die stad vormde voor hen de bron van alle kwaad dat over “Vlaanderen” is neergedaald.

Op die manier werd een eeuwenoud cultuurhistorisch Nederlands erfgoed (cfr. de voormelde bijdrage “Brussel en Brabant een succesverhaal”) zondermeer overboord gegooid.   

Er is echter meer !

Uit een hele reeks feiten blijkt dat de Brusselaars helemaal niet zo opgetogen waren over de Walen en Fransen als de flaminganten altijd beweerd hebben. In de loop der eeuwen hebben zij zich meermaals verzet tegen het Frans en de Franstaligen.       

BRUSSEL VAN NEDERLANDSE TOT VERFRANSTE STAD

 

 

Geen redelijk mens zal betwisten dat Brussel een historisch Brabantse en Nederlandse stad is.

Wie een blik werpt op een landkaart merkt onmiddellijk dat Brussel ten Noorden van de Nederlands-Franse taalgrens ligt.

Vandaag vormt Brussel een meertalige enclave in het Nederlandse taalgebied.

Alle historische plaatsnamen in deze stad  zijn, zonder één enkele uitzondering, Nederlands.

Dit geldt eerst en vooral voor de naam “Brussel” zelf. Die komt van  “broeck” en “saal”, wat zoveel betekent als “nederzetting in het moeras”.

Ook in Duitsland, meer bepaald in Baden-Württenberg, ligt er een “Brussel”. In de “Bundesrepublik Deutschland” heet die stad echter  “Bruchsal”. Net als Brussel aan de Zenne was ook “Bruchsal” in de buurt van Karlsruhe, aanvankelijk een dorp in een drassig gebied. 

Het Brabantse Brussel omvat wijken en buurten met namen als “Warmoesbroeck”, “Ruysbroeck”, “Orsendael” (dal van de paarden), “Coudenberch” enz.

Tijdens de middeleeuwen droegen de vermogende Brusselse patriciërsfamilies namen als Uten Steenweghe, Rodenbeke, Weerts, Seroloefs, Tserclaes, Van Coudenberch, Van Ruysbroeck, ….

Uitgerekend die patricische “geslachten” monopoliseerden eeuwenlang  de macht in de Zennestad.  Deze gegoede burgers bestuurden hun stad in het Nederlands.  In de ambtelijke documenten ruimde het Latijn vanaf het einde van de 13de eeuw stilaan plaats voor het “Dietsch”, “Duutsch”, (Neder-) “Duytsch”.    

Bij het begin van de 21ste eeuw evenwel lijkt Brussel, op het eerste gezicht, een overwegend Franstalige stad te zijn.

Het ligt dan ook voor de hand dat er zich in de loop der tijden een evolutie heeft doorgezet ten gunste van het Frans.

Automatisch rijst dan ook de vraag wanneer dit is gebeurd en - vooral - welke factoren daartoe hebben bijgedragen.    

 

 

DE ERFENIS VAN VERLOOY

Reeds op het einde van de 18de eeuw hield die vraag de aandacht gaande van een Brussels advocaat: J.B.C. Verlooy (1746-1797).

Die aanhanger van de “Aufklärung” ergert zich in zijn beroemde “Verhandeling op d’onacht der moederlyke tael in de Nederlanden” (1788)  over de verwaarlozing van de Nederlandse taal en cultuur.

Als volleerd rationalist gaat Verlooy op zoek naar de oorsprong van de verfransing.

In navolging van auteurs uit de 16de eeuw, legt hij de verantwoordelijkheid voor de teloorgang  van het Nederlands bij de hertogen van Bourgondië. 

Die Franse vorsten waren - na het uitsterven van de autochtone Brabantse dynastie (1406) - aan de macht gekomen in Brabant. Zij hadden er het Frans tot bestuurstaal gemaakt in hun centrale administratie. Verlooy schrijft letterlijk: “Wy moeten deze vernedering van onzen volksaerd en afneming onzer konsten niet wyten, als aen ‘t huys van Burgondiën. Te weten, als dit aen de souveryniteyt dezer landen gekomen is, heeft het hier een groot huysgezin nagesleept. Het stelde terstond het gants gouvernement en d’eerste raden in ’t Frans.”

Met andere woorden: sedert het Bourgondisch bewind was in heel de Nederlanden (dus niet enkel in Brussel !) het Frans de voertaal niet alleen van het hof en de adel maar ook van de centrale staatsadministratie.

De Brabantse regionale instellingen en de plaatselijke instellingen bleven evenwel verder het Nederlands gebruiken. 

Verlooy’s uitspraak is zeer belangrijk. Deze rationele denker omschrijft hier immers zeer duidelijk het fundamentele verfransingsmecha­nisme.

Niet “Brussel” of “de Brusselaars” waren verantwoordelijk voor de verspreiding van het Frans in de Nederlanden.  Wel integendeel ! Vreemde machthebbers hebben in Brabant het Frans  ingevoerd.

Tot dan (1406) toe hadden de autochtone vorsten uit het huis van Leuven steeds de taal van het volk gerespecteerd. In de relaties met hun onderdanen  bedienden de Brabantse hertogen zich, naast het Latijn,  steevast  van het Nederlands. Alleen in Waals-Brabant, het agrarische “Roman païs de Brabant” werd - volkomen terecht - het Frans gebruikt.

Heel anders verliep het onder de Bourgondiërs.

Die vorsten maakten - althans op het centrale niveau -  het Frans tot de officiële bestuurstaal.

Die toestand  bleef  bewaard onder de andere vorsten die in de daarop volgende eeuwen over de Nederlanden regeerden.

Inderdaad. Zowel het centrale bestuursapparaat van de Spaanse (1482-1713) als dat van de Oostenrijkse (1713-1794) Habsburgers was overwegend Franstalig.  

De verfransing - hoe beperkt die overigens ook bleef - kwam dus niet van “Brussel” maar  van “Bourgondië” en later van “Habsburg”. 

Meer nog  ! Uitgerekend Brussel onderging - sterker nog dan de andere steden in de Nederlanden - de verfransende invloeden van buitenlandse machthebbers.

Met andere woorden: in tegenstelling tot wat kortzichtige flaminganten later zullen beweren was “Brussel” allerminst  dus de “boze dader” maar integendeel het eerste en ergste slachtoffer.

De Brusselaars - en niemand anders - hebben de zwaarste tol betaald aan de eeuwenlange vreemde overheersing in de Nederlanden.

Uitgerekend hun stad was immers sedert de 16de eeuw uitgegroeid tot de hoofdstad van de Nederlanden. De Franstalige centrale bestuursorganen zetelden in de buurt van de Koudenberg.

Zij voerden het beleid uit dat te Rijsel, Dijon, Madrid of Wenen uitgestippeld was.

Mensen die niet in de hoofdstad woonden, raakten er stilaan van overtuigd dat “Brussel” hen dit alles oplegde.

In werkelijkheid echter was niet “Brussel” maar integendeel “Bourgondië” (1406-1482) en  later “Habsburg” (1482-1792)   daarvoor verantwoordelijk.

Het gebruik van een verkeerde terminologie en een simplistische slogantaal zorgde ervoor dat “Brussel” stilaan uitgroeide tot de ideale zondebok voor al wat er misliep in de Zuidelijke Nederlanden.

Op de koop toe werd die afkeer nog vergroot doordat het centrale overheidsapparaat zich van het Frans bediende.

Toch was uitgerekend het zo vaak vermaledijde “Brussel” het ergst blootgesteld aan de verfransende invloeden van de Bourgondiërs en Habsburgers.

Ook Verlooy zelf trouwens besefte dit maar al te goed. Die advocaat schrijft dan ook: “Dus al wat iet was, of iet wilde wezen, sprak het Frans. Door dit wulig en volkryk hof en zoo menige Fransche opper- en onderbediendens der Raden die men moest uyt Vrankryk trekken, was deze stad [= Brussel] overstroomt van Fransmans en nam zoo veel mogelyk hunne tael ook aen.” De taal van het hof, de adel, de regering en de centrale instel­lingen werd dus “aenveerd en geëerd door de hoofdstadt.”

Verlooy  verklaart evenwel zeer uitdrukkelijk dat dit niet alleen het geval was in Brussel maar ook in heel de Nederlanden.

Dit valt ook gemakkelijk te begrijpen.  Reeds tijdens de middeleeuwen was het Frans sterk verspreid in het graafschap Vlaanderen, een leen van de Franse koning. In dit vorstendom (Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Zeeuws-Vlaanderen en Frans-Vlaanderen) moest men dus zeker niet op de Bourgondiërs wachten om het Frans te gebruiken. De Vlaamse “leliaerts” bedienden zich reeds veel vroeger  van die taal.

Onderzoek in de stadsarchieven van Gent, Brugge en Ieper toont aan dat vóór 1500 zo maar eventjes 30 tot 60 % van de akten in het Frans gesteld zijn…

In Brussel was de situatie totaal verschillend.

In de Zennestad ligt dit percentage Franstalige oorkonden …beneden 1 %.  Brussel behoorde immers niet tot Vlaanderen maar tot Brabant. Welnu Brabant  (het “Brussels Hoofdstedelijk Gewest” en de provincies “Noord-Brabant”, “Antwerpen”, “Vlaams-Brabant” en “Waals Brabant”) vormde een onderdeel van het Duitse Rijk.

De rijke Brusselse patriciërsfamilies “geslachten” bedienden zich dan ook steevast van het (Neder-) Duytsch.

Niet alleen het stadsbestuur maar ook de lakengilde, de ambachten, de kerken, de kloosters, de hospitalen, de godshuizen, de rederijkerskamers, de  schuttersgilden enz… bedienden zich van die taal.

Nu waren dat uitgerekend de instellingen waarmee een Brusselaar in contact kwam.

De doorsnee burger kreeg immers slechts uitzonderlijk te maken met de hofhouding en de centrale administratie van de Bourgondiërs en van de Habsburgers.

Bovendien vormden het hof, de Raad van State, de Geheime Raad en de Raad van Financiën eerder gesloten milieus.

Toch ging van die instellingen een zeker prestige uit. De gewone man keek dan ook op naar die hogere kringen.

Maar ook dit fenomeen was allerminst typisch voor Brussel.

Verlooy zelf schrijft in zijn  “Verhandeling” dat niet alleen in Brussel maar ook in ‘het geheel land’ het Frans opgehemeld werd met een ‘blinde ingenomendheyd’.

Toch besteedt die advocaat begrijpelijkerwijze vooral aandacht aan de toestand in Brussel. Dit is nu eenmaal de stad waar die jurist zelf leeft en werkt. Hij pleit er bij de Raad van Brabant, een gebouw dat vandaag dienst doet als federaal parlement.

Verlooy schrijft: “Maer de Nederduytsche tael is hier wel anders mishandelt by ons , en voor al in Brussel: zy is in deze stad niet alleen veronachtzaemt, maer ook veracht… geenen Brusseler oft hy zal beleyden dat hy nooit sermoon kan schoon vinden in’t Vlaems maer dat dit moet in’t Frans en van eenen Fransman zyn”.  

Die passage heeft in sterke mate bijgedragen tot de vorming van een anti-Brusselse stroming in de Vlaamse Beweging.

Generaties leerlingen van het middelbaar onderwijs kregen die tekst te lezen. Hij prijkt  ondermeer in het handboek van de jezuïet M. Dierickx, Geschiedenis van België en van onze eigen tijd (Antwerpen, 1967).  Alleen al de titel boven dit uittreksel laat aan duidelijkheid niets te wensen over: “Advokaat Verlooy hekelt de Brusselaars die het Vlaams misprijzen”.

Gevolg: tot vandaag zijn vele Vlamingen er heilig van overtuigd dat de Brusselaars altijd al “arrogante lieden” zijn geweest. Zij heulden samen met de buitenlandse machthebbers die onze gewesten regeerden: de Bourgondiërs, de Spaanse en de Oostenrijkse Habsburgers, de Franse republiek.

Volgens het klassieke anti-Brusselse vooroordeel zouden de Brusselaars van oudsher een blinde bewondering gekoesterd hebben voor al wat Frans is en een grondige afkeer voor al wat Vlaams is. Daarom ook hebben zij zich laten verfransen.

Het besluit ligt dan ook voor de hand: Brusselaars zijn lieden die vanuit Vlaams opzicht niet te vertrouwen zijn. Men is hen beter kwijt dan rijk.  Brussel vormt “een blok aan het been van Vlaanderen” Hoe eerder men van die “olievlek” of die “kankerplek” verlost is hoe beter.

Frans Crols en anderen pleiten er dan ook voor om Brussel gewoonweg te laten vallen.

Tijdens de laatste jaren verkondigen de aanhangers van de traditionele “anti Brussel-ideologie” een nieuwe stelling: “Was Brussel er niet geweest dan zou Vlaanderen al lang onafhankelijk zijn geweest”.

Ongelooflijk maar waar !

Net alsof wij Brusselaars ook maar één seconde in staat zouden zijn geweest om de Vlamingen te beletten hun onafhankelijkheid uit te roepen indien die dat echt zouden willen. Zo machtig zijn wij echt niet !

Het ingeboren conservatisme van de Vlamingen en hun angst voor echte veranderingen wegen inderdaad oneindig veel zwaarder door dan de zogenaamde macht van “Brussel”.

Voor de zoveelste maal zoeken de Vlamingen een “Brusselse zondenbok” als alibi voor de eigen inertie en de eigen zwakheid.     

 

De voormelde uitspraak van Verlooy over de zogenaamde Fransgezindheid van de  Brusselaars moet men echter lezen in zijn correcte context.

Vele flaminganten schijnen nog steeds te geloven dat die 18de eeuwse advocaat een “Verhandeling op d’onacht der moederlyke tael in Brussel” heeft geschreven.

Toch luidt de titel van zijn traktaat wel degelijk “Verhandeling op d’onacht der moederlyke tael in de Nederlanden”.

Verlooy hekelt overigens het gebrek aan waardering voor de volkstaal niet alleen in de Zuidelijke maar ook in de Noordelijke Nederlanden.

Hij schrijft letterlijk: “In de Vereenigde Provinciën is het Nederduyts wel niet veronachtzaemt gelyk hier; maer het is eventwel ook niet zeer bevoordeelt nog wegens den staet, nog wegens ’t volk” (37,77)

Verlooy is een rationele denker die zich door de Rede laat leiden.

Toch slaagt ook hij daar niet altijd in. Inderdaad. Ook bij hem vindt men reeds sporen van de kortzichtige anti-Brusselse vooroordelen die later volop opgang zullen maken bij de flaminganten.

Deze jurist  geeft daarbij trouwens blijk van een zekere schizofrenie. Inderdaad. Die Kempense inwijkeling verwijt de Brusselaars dat zij opkijken naar het Frans.

Maar … wat doet Verlooy zelf  ? Hij verklaart uitdrukkelijk dat het Frans veel meer te bieden heeft dan het Nederlands: “En inderdaed wat zyn wy in kosten ten aenzien van de Fransche ? Wat hebben wy te stellen tegen die ontalbaere menichte van groote namen in de wetenschappen ? Tegen Voltaire, Boileau, Montesquieu, Corneille, Nolet, Rolin, Molière, Raynal, Linguet, Beaumarchais en duyzent andere ? ”

Begrijpe wie kan !   Verlooy die de Brusselaars meent te moeten schandvlekken omwille van hun zogenaamde Fransgezindheid,  dweept zelf - als geen ander ! -  met de Franse taal en cultuur

Meer nog hij verklaart onomwonden dat alle Nederlanders dat doen. De eerste regels van zijn verhandeling luiden als volgt: “ Wij vinden ons in de Nederlanden, bezonderlyk hier in d’Oostenryksche , in konsten en wetenschappen verre onder onze naebueren. Het en is niet noodig om dit te bewyzen : want eeniegelyk by ons houd-zig, helaes hier - van zoo vast overtuygt, dat hy niet het minst zal twyffelen , oft het is aen eenen Nederlander onmogelyk van in eenige konsten de Fransche t’overtreffen. Die overtuygtheyd gaet zelfs zoo verre , dat ons niets schoon nog groot en dunkt , of’t moet van Vrankryk zyn”.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

“L’EUROPE FRANCAISE”

Verlooy is wel zo eerlijk er aan toe te voegen dat niet alleen in Brussel maar in heel de Nederlanden en zelfs in heel Europa, de gegoede klasse dweept met het Frans en de volkstaal veracht.

De Kempense jurist verwijst naar Frederik de Grote, koning van Pruisen. Die voerde zijn hofhouding in het Frans en verschafte in Sans-Souci onderdak aan de verlichte filosoof Voltaire.

In heel de Nederlanden gold destijds als devies: “Al dat Fransch is staet my aen”  en “Wie geen François en kan en magh niet mede”. Tijdens de 18de eeuw schrijft de reiziger A. Damiens de Gomicourt in “Le voyageur dans les Pays - Bas autrichiens” dat de Gentenaars een grote voorliefde koesterden voor het Frans.

Onderzoek van de oorkonden bewaard op het Gentse stadsarchief toont aan dat  reeds tijdens de middeleeuwen in de Arteveldestad courant het Frans gebruikt werd.

In de 16de eeuw vroeg Lodewijk van Nassau aan predikant Fontanus waar hij het best Frans kon gaan studeren. Lodewijk kreeg prompt de raad naar … Gent te trekken: “où la langue française est fort ustitée”.

Verhoeven schrijft over de Mechelaars: “Men leert er geen Vlaamsch meer, zelfs wordt verboden van Nederduytsch te spreken…men spreekt dan niet als Fransch en ’t is een teeken van grooten voortgang in die taele gedaen te hebben, met te zeggen dat zij de Nederduytsche ganschelijk vergeeten hebben”.

Ook de Antwerpenaars dwepen met het Frans. Dit hoeft geen verwondering te wekken. Anno 1356 was de Brabantse Scheldestad veroverd door de troepen van de graaf van Vlaanderen, Lodewijk van Male. Die Vlaming had aanvankelijk ook Brussel en Leuven veroverd. De Brusselaars waren er echter in geslaagd de Vlaamse bezetter te verdrijven. Dit was vooral het werk van Everard Tserclaes. De patriciër kreeg tijdens de 19de eeuw een monument naast het stadhuis. Brusselaars en toeristen strelen er het ligbeeld van de bevrijder van de Zennestad.

De Brabantse stad Antwerpen echter bleef in 1356 verder door de Vlamingen bezet.    De Scheldestad die tot dan toe - zoals de andere Brabantse steden - enkel in het Latijn en het “Duytsch” bestuurd werd - maakte onder het Vlaams bewind kennis met de verfransing.

De gevolgen daarvan bleken een eeuw later. Toen kregen de Antwerpenaars meermaals Franstalige privileges van de Bourgondische hertogen.

De Vlamingen hadden in Antwerpen immers een francofone traditie ingevoerd.

Brussel daarentegen bleef daarvan gespaard. Daarom ook zijn vrijwel alle oorkonden van de Bourgondische hertogen voor de stad Brussel… in het Nederlands gesteld.

Ook tijdens de 16de eeuw was het Frans sterk verspreid in Antwerpen. Het was de gebruikelijke taal niet alleen van Willem van Oranje en Marnix van Sint Aldegonde maar ook van de internationale handelaars. Wanneer de Brusselse jezuïet Carolus Scribani zich te Antwerpen vestigt is hij verwonderd over de grote ijver waarmee de Sinjoren zich toeleggen op de studie van het Frans. Ook buitenlanders kwamen tot dezelfde vaststelling. De Florentijn Lodovico Guicciardini schrijft in zijn “Descritione …di tutti i Paesi Bassi” (1547) dat “la lingua Franzese” te Antwerpen volop onderwezen  wordt in talrijke scholen. Guicciardini verwacht zelfs dat het Frans in de Scheldestad zou uitgroeien tot een soort moedertaal: “che in brieve tempo ci si parlera generalmente quasi come la lingua materna”. Tijdens de 17de eeuw werd in Antwerpen trouwens een “Gallica Sodalitas” opgericht.

De “gallomanie” bleef overigens allerminst beperkt tot de grote steden als Antwerpen en Gent. 

Zelfs in kleinere centra zette de “francomanie” zich door. Zo lieten de gegoede burgers van Dendermonde voor officiële plechtigheden Franse gelegenheidsgedichten drukken.

Een 18deeeuwse auteur noteert dat men bij de Brugse vrouwen enkel Frans hoort… In 1760 richt een Fries te Maastricht een “Grande société” op ten behoeve van de “gens de distinction”.

Ook in de Noordelijke Nederlanden geeft het Frans de toon aan. De vrouwen uit de hogere burgerij van Den Haag schamen zich over het Nederlands. Van Zuylen schrijft: “Je n’aime point mon pays”. In 1772 verklaart  een leraar Frans uit Franeker dat de Hollanders sinds een paar tientallen jaren het Frans boven hun moedertaal verkozen.

Nog bij het begin van de 19de eeuw stelt  een Oranjeklant als Bilderdijk onomwonden: “L’intérêt         commun de la Hollande et de la France paraît donc exiger avec l’introduction de la langue Française , la suppression du langage hollandais”.

De verachting voor de volkstaal was overigens geen typisch Nederlands fenomeen. Ook andere volkeren in Europa leden aan die kwaal. Reeds Dante Alighieri (1265-1321) had de Italianen gehekeld die hun eigen taal misprezen en zich toelegden op de taal van anderen (het Frans). Hij viel uit tegen:  “gli malvagi uomini d’Italia, che commendono lo volgare altrui , e lo proprio dispregiano”.

In het door de Normandiërs (Hastings 1066) veroverde Engeland groeide het Frans uit tot de taal van de adel en de gegoede klasse.

Het Engels - vandaag universele communicatietaal bij uitstek -  was er eeuwenlang de taal van de boerenpummels.

In Duitsland luidt het devies: “Wer nicht Frantzösisch kann, ist kein gerühmter Mann !”.  Vele Duitsers beschouwen hun moedertaal als een allegaartje van schabouwelijke dialecten: “Rien n’est plus plébéien que de se servir de l’Allemand dans une lettre et tous les gens de qualité emploient le Français”.

Seiler hoopt dat het Frans de Duitsers zou verheffen uit hun middelmatigheid terwijl Madame de Staël vaststelt dat Frederik de Grote de Duitse natie misprijst.

Kinderen uit de betere kringen in Zweden en Polen beheersen het Frans beter dan hun eigen moedertaal. Poolse meisjes kijken smalend neer op de Poolse literatuur en Hongaarse edelen verachten het Hongaars.      

Kortom:

Verlooy’s uitspraken over de zogenaamde Fransgezindheid van de Brusselaars moeten dan ook in een ruimer Europees kader geplaatst worden.

Maar al wie erop uit was Brussel af te schilderen als “bron van alle kwaad” had geen oog voor die bredere context en die nuancering.

Steevast werd (en wordt nog steeds)  verkondigd dat de Brusselaars altijd al snode franskiljons zouden geweest zijn die reeds tijdens de Bourgondische periode hun moedertaal hadden ingeruild voor het Frans.

Het gold en geldt nog steeds als een onbetwistbaar dogma dat het Frans, reeds lang vóór de Franse Bezetting (1792-1815),  te Brussel dominant geworden was.

In 1985 bleek op schrijnende wijze hoe sterk die absurde opvatting leeft  onder het brede publiek.

Dat jaar hield Prof. Kas Deprez een enquête bij de studenten van de eerste en tweede licentie Germaanse filologie van de Universiteit te Antwerpen.

Die toekomstige filologen (mensen dus die constant met taal bezig zijn) “geloofden” dat er in Brussel anno 1788 zo maar eventjes 60 % franstaligen woonden. In werkelijkheid echter waren het er amper 5 %.

Met andere woorden: op de vooravond van de Franse Bezetting (1792-1815) was niet minder dan 95 % van de Brusselaars Nederlandstalig.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SYSTEMATISCH WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK

 

Vooral de Vlamingen - vaak meer nog dan de franstaligen - zijn telkens weer geneigd de verfransing van Brussel tijdens het “Ancien Regime” schromelijk te overschatten.

Andermaal blijkt hoe slecht zij Brussel kennen. Informatie en vorming blijven dan ook broodnodig. Die moeten evenwel gebaseerd zijn op wetenschappelijk onderzoek. Op dit vlak werd tijdens de laatste jaren heel wat werk verricht en dit vanuit diverse disciplines.   

Sinds 1977 vormt het taalgebruik te Brussel vóór 1794 het voorwerp van systematisch archiefonderzoek. In een eerste fase (1977-1978) werden alle (!) documenten daterend vóór 1500 en bewaard in de archieven van de plaatselijke Brusselse instellingen  gecontroleerd.

Uit dit onderzoek  bleek dat  - zelfs tijdens het Bourgondisch bewind (1406-1482) - de Brabantse stad Brussel beduidend Nederlandser was dan Vlaamse steden als Gent, Brugge en Ieper.

In de duizenden Brusselse documenten uit de periode vóór 1500 werden er slechts drie (!) Franstalige oorkonden van de schepenen van Brussel gevonden.

Op de koop toe waren die drie akten niet eens bestemd voor de Brusselaars maar integendeel voor de hertogen van Bourgondië of hun administratie.

Het is overigens best mogelijk dat die documenten in feite werden opgesteld door de Bourgondische instanties zelf en vervolgens ter bezegeling voorgelegd aan de Brusselse wethouders (de zgn. “destinatarisredactie”).         

In 1980 startte een tweede fase van dit grootschalig onderzoek naar het taalgebruik in Brussel. Dit heeft betrekking op de stukken geschreven tussen 1500 en 1794.

Uit die periode zijn - ondanks de verliezen geleden bij het Franse bombardement van 1695 - een massa archiefstukken bewaard gebleven.

Daarom moest het onderzoek opgesplitst worden in meerdere deelstudies. Die hebben betrekking, hetzij op grote archieffondsen hetzij op bepaalde types van documenten.   

Bijzondere aandacht ging naar de stukken opgesteld door het Brusselse stadsbestuur zoals de stedelijke privilegieboeken, de teksten die bekend gemaakt werden (“gepubliceerd”) op de pui van het stadhuis, de rekeningen, de consignatieboeken, de gerechtelijke archieven enz.

Naast de archieven van de stedelijke administratie “stricto sensu”  kwamen ook die van de ambachten en van de hospitalen en godshuizen aan de beurt.

Verder werden een aantal kerkelijke archieven bestudeerd zoals die van de kapittelkerk van Sint-Michiel en Sint-Goedele en die van de parochie van Onze-Lieve-Vrouw ter Kapelle.

Dit zeer uitgebreid bronnenonderzoek laat toe een gefundeerd oordeel te vormen over het taalgebruik te Brussel tijdens het “Ancien Régime”.

Samengevat kan men stellen dat Brussel een Brabantse en Nederlandse stad is waar, vooral sedert de 16de eeuw, een Franstalige hofhouding en centrale staatsadministratie verblijft.

Nu is dit laatste allerminst typisch voor Brussel. In heel wat steden in Europa leefde er immers destijds een soortgelijke Franstalige minderheid: van Londen tot Berlijn, van Rome tot Sint-Petersburg.

De reeds vermelde Franse filosoof Voltaire verklaarde over Berlijn: “Je me trouve ici en France. On ne parle que notre langue… La langue qu’on parle le moins c’est l’Allemand. Je n’en ai encore entendu prononcer un seul mot”.        

Ook te Brussel woonde een beperkte francofone bovenlaag. 

Die had zich voornamelijk teruggetrokken in de aristocratische de buurt rond de Koudenberg en de Zavel.

Toch was in 1788 nog steeds ca. 95 % van de bevolking van Brussel (wat vandaag binnen de Kleine Ring ligt) Nederlandstalig.

Heel de administratie van de stad van hoog tot laag verliep dan ook in het Nederlands. De weinige malen dat men eens een franstalig stuk vindt, gaat het telkens om documenten  uitgaande van de Habsburgse overheden, van hovelingen en edelen of  van Walen en Fransen die voor kortere of langere tijd te Brussel vertoefden.

Het valt trouwens op dat, wanneer die inwijkelingen zich in het Frans richten tot het stadsbestuur, de Brusselse wethouders hen vaak antwoorden… in het Nederlands. 

Kortom vóór de Franse Bezetting wordt het Frans in Brussel slechts sporadisch gebruikt.

Dit blijkt onder meer uit de stedelijke “Publicatieboecken”. Op het Brusselse stadsarchief berust een indrukwekkende reeks van         publicatieboeken. Daarin staan de teksten die tussen 1635 en 1793 afgekondigd (“gepubliceerd”) werden op de pui van het stadhuis.

Zij hebben betrekking op alle mogelijke aspecten van het maatschappelijk leven en waren bestemd voor het ruime publiek. Men vindt in die “publicatieboecken” diverse voorschriften die elke Brusselaar moest naleven: bv. geen afval in de Zenne werpen, geen sneeuw van de daken gooien enz. 

Welnu van de 4. 036 documenten uit de periode 1635 tot 1793 is niet minder dan 95,3 %  ééntalig in het Nederlands. Slechts  4,7 % is in het Frans.

En waarover gaan dan die zeldzame Franstalige stukken ? Het zijn onder meer maatregelen betreffende een opstand in Hongarije … en stukken betreffende de vrijhaven van Triëst… Die documenten vindt men trouwens ook in de stadsarchieven van de andere Nederlandse steden.   

Tekenend voor de taaltoestanden te Brussel zijn ook de testamenten van de welstellende burgers ten gunste van minder bedeelden.

Op het archief van het “Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn” berusten 623 testamenten uit de periode 1500-1794 waarbij vermogende Brusselaars een schenking doen ten gunste van een of andere liefdadigheidsinstelling in de Zennestad.

Welnu van die documenten zijn er  91, 8 % in het Nederlands. Slechts 7,5 % van die testamenten zijn in het Frans en 0,7 % in het Latijn. Die Franstalige testamenten komen vrijwel allemaal van vorsten en edelen uit de Nederlanden, van mensen uit de centrale administratie en het leger en van vreemdelingen.

Ook uit andere documenten blijkt dat de hogere Brusselse burgerij zich op het einde van de 18de eeuw nog steeds van het Nederlands bediende.  

Het is trouwens tekenend dat tot aan de Franse Bezetting (1792-1815) de stadsrekeningen van Brussel in het Nederlands zijn opgesteld.

Gevolg: ambtenaren van de francofone Habsburgse administratie die Brusselse dossiers  behandelen, moeten uiteraard Nederlands kennen. Anders kunnen zij hun taak niet uitvoeren. 

Gevolmachtigd minister Cobenzl beschouwt dan ook het niet kennen van de Nederlandse taal ten aanzien van Brussel als “une espèce de défaut”. 

Daarbij aansluitend dient verwezen naar een feit dat boekdelen spreekt voor de taaltoestanden in het 18de eeuwse  Brussel. 

In 1752 richt de Oostenrijkse landvoogd Karel-Alexander van Lotharingen zich tot de Habsburgse machthebbers in Wenen. Hij doet dat uiteraard in het Frans. En wat schrijft Karel-Alexander ? Hij looft baron de Cazier, een Franstalig raadsheer bij de Raad van Financiën. Stel u voor ! Die man kende geen gebenedijd woord Nederlands maar hij  heeft op korte tijd  reeds zoveel vorderingen gemaakt bij de studie van die taal dat hij onlangs zelfs in staat was om …de rekeningen van de stad Brussel te controleren.    

Dit concrete voorbeeld illustreert zeer treffend het contrast tussen de verschillende bestuursniveaus.

Het hof en de centrale administratie (d.w.z. “Habsburg”) hanteert het Frans. Het plaatselijke niveau van de wethouders en ambtenaren van de Zennestad (d.w.z. “Brussel”) daarentegen gebruikt het Nederlands.

Meteen wordt duidelijk welke fenomenale dwaasheid het zou zijn om uitgerekend het centrale niveau  “Brussel” te noemen. Inderdaad !  Als men “Brussel” gebruikt om het Habsburgse machtsapparaat aan te duiden (nog geen 5 % van de bevolking van Brussel ) … welke term gaat men dan nog gebruiken voor de  overige 95 %  van de bevolking van deze stad ? 

Toch vervallen heel wat mensen nog steeds in dergelijke simplistische en populistische slogantaal.

Dit leidt fataal tot onoverkomelijke misverstanden en vooroordelen. Reeds Goethe wees op het enorme belang van een correcte terminologie. Enkel wanneer men de woorden in hun juiste betekenis gebruikt, wordt het mogelijk de verschillende actoren duidelijk te onderscheiden. Alleen zo kan men de maatschappelijke processen juist inschatten. In “Faust” pleit Goethe zeer terecht voor een juiste terminologie. Die laat ons toe “door een veilige poort de tempel der zekerheid te betreden” : “Haltet Euch am Worte ! So geht ihr durch sichere Pforte den Tempel der Gewissheit ein !”         

Kortom: “Brussel” gebruikt  systematisch het Nederlands tot aan de Franse bezetting op het einde van de 18de eeuw. De weinige Franstalige documenten die men in de Brusselse archieven aantreft gaan uit van “Bourgondië” en van “Habsburg”. Ook een paar ingeweken Walen en Fransen en  andere buitenlanders proberen af en toe het Frans te gebruiken. 

 

EEN VERZWEGEN UITSPRAAK  VAN VERLOOY

Ook Verlooy vestigt er in zijn “Verhandeling” meermaals de aandacht op dat het Frans te Brussel werd ingevoerd door vreemden (en dus niet door de Brusselaars !).

Deze Kempense advocaat verklaart uitdrukkelijk: “dat het Frans hier te Brussel maer een’ vremde, ingeëntte en reeds verbasterde spraek is”.

Hij voegt er nog aan toe dat in Brussel “het Nederduyts d’oorspronkelyke moederlyke tael is”.

Bovendien stelt de aanhanger van de “Aufklärung” vast dat te Brussel nog in 1788 (d.w.z. amper vier jaar vóór het begin van de Franse bezetting ) heel het bestuur en het gerecht enkel (sic !) in het Nederlands verlopen: “dat ook tot den dag van heden toe alle zaken van justicie en policie in’t Nederduyts alleen verhandelt worden”.

Uit al die vaststellingen trekt Verlooy het onontkoombaar  besluit dat men Brussel enkel kan beschouwen als een Nederlandse stad: “volgt dat men Brussel niet moet aenzien dan als een’ enkel Nederduytsche stad”.      

Die uitspraak is zeer belangrijk. Verlooy had immers zelf  een paar pagina’s eerder uitgehaald naar de Brusselaars. Hij verweet hen dat zij hun moedertaal onvoldoende respecteerden.

Toch moet diezelfde auteur een weinig verder in zijn betoog toegeven dat uitgerekend diezelfde Brusselaars zich anno 1788 én in administratie én in gerecht nog altijd uitsluitend van het Nederlands bedienen…

Verlooy gaat nog een stap verder ! Hij verklaart uitdrukkelijk dat de verfransing van Brussel in zijn tijd (1788) nog steeds zo weinig te betekenen had dat - indien de overheid een ander beleid zou voeren - dit fenomeen in de kortste keren zou verdwenen zijn.

Deze advocaat bij de Raad van Brabant schrijft letterlijk: “het welk, met een ander politiek te volgen als dat van heden, wel haest verdwenen waer”. 

Al die citaten van Verlooy laten aan duidelijkheid niets te wensen over.

Toch hebben zij om een of andere mysterieuze reden nooit de aandacht gekregen die zij verdienden Wel integendeel ! Van oudsher hebben de flaminganten over Verlooy enkel onthouden dat de Brusselaars altijd al hun moedertaal veracht hebben en dat Brussel al Frans was onder de Bourgondiërs.

Die wel zéér selectieve lezing van de “Verhandeling” kan enkel verklaard worden door een onthutsende  vooringenomenheid.

De flaminganten hebben “Brussel” gelijkgeschakeld met  “België”. Die stad vormde voor hen de bron van alle kwaad dat over “Vlaanderen” is neergedaald.

Op die manier werd een eeuwenoud cultuurhistorisch Nederlands erfgoed (cfr. de voormelde bijdrage “Brussel en Brabant een succesverhaal”) zondermeer overboord gegooid.   

Er is echter meer !

Uit een hele reeks feiten blijkt dat de Brusselaars helemaal niet zo opgetogen waren over de Walen en Fransen als de flaminganten altijd beweerd hebben. In de loop der eeuwen hebben zij zich meermaals verzet tegen het Frans en de Franstaligen.       

BRUSSELAARS HATEN WALEN EN FRANSEN OMWILLE VAN HUN TAAL

 

Reeds op het einde van de 15de eeuw vindt men te Brussel duidelijke sporen van een zekere “taalgevoeligheid”.

De Bourgondische kroniekschrijver Jean Molinet verhaalt hoe in 1488 Filips van Kleef de Brusselaars ter hulp kwam in hun strijd tegen de Habsburger Maximiliaan van Oostenrijk. De troepenmacht van Filips van Kleef omvatte echter  ook een aantal Waalse huurlingen. Toch werd de heer van Kleef te Brussel met vreugde begroet.

Dit verwonderde Jean Molinet ten zeerste. Want, aldus de kroniekschrijver,  tijdens de voorbije oorlogen hadden de Brusselaars steeds de Fransen gehaat.

Die houding had niet zozeer te maken met oorlogsgeweld. Molinet specificeert immers uitdrukkelijk dat de Brusselaars niet enkel afkerig stonden van de Fransen maar zelfs van de Henegouwers en andere Walen. De Brusselaars haatten de Walen vooral … omwille van hun taal.

De passage luidt als volgt: “Les Bruxellois monstroyent à son entrée signe de joye, qui toutesfois ne furent au devant de lui. Il descendi à son hostel et ses gens furent logiéz tellement et à peu de noise comme se ame n’y fusist sourvenu. Entre ceulx de sa bende estoyent aucuns Francois portans la croix droite: chose fort nouvelle en Bruxelles, car, durant les pecedentes guerres, ne hayoient aultre nation et meismes les Wallons , tenans leur parti comme Hennuyers et aultres, avoyent suspectz et hors du compte de bonne amitié a cause du langaige…”    

Een paar jaar later - tijdens de zestiende eeuw - luchtten de Brusselaars andermaal hun ongenoegen over de “rotte Walen”. 

 

In zijn dagboek hekelt de Brusselaar Jan De Potter  de hertog van Alva, “den grooten tieran”. De Potter verhaalt dat de Spanjaarden lelijk huis hielden in de hoofdstad der Nederlanden.

 

Maar volgens hem waren de Walen nog een stuk erger dan de Spanjaarden: “dat waeren onse rotte Waelen: alsoe dat de Waelen quaeder waeren dan de Spaennaert”. 

 

Ook tijdens de 17de en de 18de eeuw gaven de Brusselaars meermaals uiting aan hun ongenoegen over al wat Frans was.

 

De imperialistische oorlogen die Frankrijk in die tijd tegen de Nederlanden voerde, waren  zeker niet van aard om bij de Brusselaars sympathie te wekken voor Frankrijk en de Fransen.

 

Vooral tijdens het laatste kwart van de 17de eeuw hadden Brussel en omgeving zwaar te lijden onder het oorlogsgeweld.

 

Strevend naar "grandeur" en naar zgn. "natuurlijke grenzen" viel Frankrijk de andere Europese landen aan. Niet alleen de Nederlanden maar ook het  verbrokkelde “Duitse Rijk", Italië en Spanje werden het slachtoffer van die expansiepolitiek.

 

Frankrijk  annexeerde delen van de Zuidelijke Nederlanden (Frans-Vlaanderen met Duinkerken). Duitsland verloor de Elzas (met  Straatsburg). Tussen 17 en 22 mei 1684 schoten de Fransen Genua in puin. In 1689 brandden zij Rijnland-Palts plat en vernielden steden als Heidelberg, Mannheim, Worms en Spiers.  In juni 1691 was Luik aan de beurt. Catalonië en Piëmont betaalden eveneens een zware tol aan het oorlogsgeweld.

 

Om zich te verdedigen tegen het Franse imperialisme vormden de Verenigde Provinciën, Spanje, keizer Leopold I en de keurvorsten van Saksen en Brandenburg in 1686 de “Liga van Augsburg”. Toen de stadhouder van Holland, Willem III, anno 1688 ook koning van Engeland was geworden nam hij de leiding van dit anti-Franse bondgenootschap.

De Franse legeraanvoerders werkten allerhande plannen uit om de geallieerden te treffen. Aanvankelijk overwogen zij Brugge of Gent te bombarderen maar de ambitieuze maarschalk de Villeroi meende dat dit Frankrijk te weinig "éclat" zou bezorgen.

De Villeroi bestempelde een bombardement op die Vlaamse steden als "schieten op mussen" of "bommen gooien op moestuintjes". Daarom gaf hij de Franse koning advies om Brussel te verwoesten.

Militair had de "Princelycke Hooftstadt van't Nederlandt" weinig te betekenen. De Fransen waren er echter welbewust op uit om het moreel van de burgers te breken. Zij poogden de Brusselaars treffen in hun economische bedrijvigheid en hun cultuurpatrimonium.

Kort voordien had de strateeg Louvois nog geschreven: "Il faut choquer les Flamands (let op de typische foutieve Franse terminologie) en toutes choses afin de les étourdir d'abord et ne leur laisser aucune ombre de liberté ni nulle espérance de traitement favorable". 

De Fransen waren er op uit om in Brussel “un beau feu” te maken. Tussen 15 en 17 augustus 1695 schoot maarschalk de Villeroi de omgeving van de Grote Markt in puin. Talloze kunstwerken werden vernield. Een enorm verlies was de vernileing van “De Gerechtigheid van Trajanus en Herkenbald”. Dit was een monumentale schilderijencyclus van Rogier Van der Weyden (+ 1464), drie maal zo groot als het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck … Ook het  Brusselse stadsarchief leed zware verliezen.

Een onschuldige burgerbevolking werd het weerloze slachtoffer van alle gruwelen van de totale oorlog. De Fransen waren bijzonder trots op hun "wapenfeit". Lodewijk XIV feliciteerde De Villeroi voor de verwoesting van Brussel.

Toch moet de Villeroi op 17 augustus aan de Zonnekoning melden dat de Brusselaars de Fransen bedreigden: "Le désordre que nous avons fait dans cette ville est incroyable. Le peuple nous menace de beaucoup de  représailles je ne doute pas qu'il en ait la volonteé mais je n'en devine pas les moyens".

De woede en de haat van de Brusselaars blijkt uit publicaties als de "Beschrijvinge van den Franschen moetwil geschiet in het bombarderen ende verbranden der princelijcke stad Brussel".

Kort na het bombardement publiceerde A. Coppens gravures met gezichten op de vernielde stad. Heel Europa reageerde verontwaardigd op deze barbaarse oorlogsmisdaad.

De advocaat Descartes moest kort nadien vaststellen hoe weinig geliefd de Fransen in Brussel waren. Toen hij Franse stukken wou indienen bij een proces, stootte hij op de weerstand van de wethouders. Die waren uiteindelijk enkel bereid om die documenten in ontvangst te nemen wanneer dit niet als een precedent zou gelden.

In 1711 kwam het tot een taalincident in de kapittelkerk van Sint-Michiel en Sint-Goedele.

De kanunniken van de Brusselse hoofdkerk dankten hun prebende aan de vorsten die over Brabant regeerden: eerst de autochtone hertogen uit het huis van Leuven, later de Bourgondiërs, vervolgens de Spaanse en ten slotte de Oostenrijkse Habsburgers. Die machthebbers gebruikten een dergelijke prebende vaak als  een geschikt middel om een of andere edelman te belonen.

Dergelijk privilege genoot ook  Jean Chrysostome de Montpleinchamp. Die kanunnik cumuleerde zijn prebende met het ambt van hofpredikant. In 1711 vroeg die francofone geestelijke dat men tijdens de kapittelvergaderingen het Frans of het Latijn zou gebruiken, althans wanneer er aangelegenheden ter sprake kwamen die direct betrekking hadden op Franstalige kanunniken.

Slecht bekwam het hem !

De deken van Sint-Goedele, Jacob De Maeyere, een geboren en getogen Brusselaar, stammend uit een der belangrijkste families van de Zennestad snauwde de Montpleinchamp meermaals toe: “Capitulum est Flandricum !”.

Het ging hier wel degelijk om een principiële houding. De Maeyere zelf kende immers zeer goed Frans. Hij was inderdaad jarenlang secretaris geweest van Jacob de Berghes, de Franstalige aartsbisschop van Mechelen.

Amper een paar jaar later - in 1725 - verzetten de Brusselse wethouders zich tegen de benoeming van Jean-Baptiste Rousseau tot geschiedschrijver. Dit kon niet om meerdere redenen. Vooreerst was  Rousseau een Fransman. Welnu een decreet uit 1641, in navolging van de Blijde Inkomst,  verbood uitdrukkelijk om ambten te verlenen aan vreemdelingen.

Het Brusselse stadsbestuur hanteerde echter nog een bijkomend argument. Aangezien Rousseau geen Nederlands kende, zou hij nooit zijn taak naar behoren kunnen uitoefenen. Hij was immers niet bij machte … de Brusselse archiefdocumenten te begrijpen.

Ook in de periode 1746-1748 werd de “Princelycke Hoofdtadt van’t Nederlandt” door de Fransen bezet.

Een tijdgenoot maakte een verslag van die bewogen periode.  Zijn relaas bleef bewaard in een handschrift dat thans berust in de Handschriftenafdeling van de Koninklijke Bibliotheek. Uit die tekst blijkt dat een kleine minderheid sympathiseerde met de Franse vorst Lodewijk XV die de titel voerde van “allerchristelijkste koning”. 

De overgrote meerderheid van de Brusselse bevolking stond echter uitgesproken vijandig tegenover de bezetter. Zij ergerden zich hartsgrondig over het wangedrag van de Fransen die “soo veel boosheeden bedreven als van eenen mensch kan gepeyst worden, de huijsen doorbreekende, plunderende en de menschen mishandelende”.

De anonieme kroniekschrijver schrijft letterlijk: “De boosheden en scandaelen van de Franschen, soo officieren als soldaeten, te Sinte Gudula gedaen, waeren soo afgrysselyck dat aenstonts alle menschen eenen afkeer van hun hadden”.

De Brusselaars riepen  dan ook uit: “Is dat ‘t volck van den Alderchristelycksten koninck. Sij syn erger als de ketters want sij eten, smooren, pissen, schermen met ‘t geweir ende wapens in thuijs  Godts.”

De bevolking pikte het niet dat zij  onderdak moesten verschaffen aan de Franse troepen: “maer de borghers door de lastige en boose logeringe der Fransche verbitterdt synde”.

Bovendien werd van de Brusselaars nog eens verwacht - stel u voor ! -  dat zij gedurende drie dagen uiting zouden geven aan hun “vreugde” door hun huizen met kaarsen te verlichten. De inwoners van de Zennestad waren daartoe allerminst bereid. Zij waren niet langer baas in eigen hun huis. Franse soldaten sliepen in hun bedden.

De Brusselaars “hadden geenen iver om te vieren aengesien sij, geen meester  in hun eyghen huijs synde, selfs hun beddens moesten derven door gewelt om de Franschen daer op te laeten slaepen.”

Zij beschouwden de Fransen als ongedierte dat het land kaal vrat door “de logementen der Franschen, dewelcke soo menighvuldigh waeren als de muggen in de loght, soo van soldaeten, officieren, commissarissen en vivandiers van hunne natie en dewelcke genoegh waeren om ‘t gants landt af te eten”

Bovendien kende de pretentie van die mensen geen grenzen . Zelfs Fransen van lagere rang speelden baas in de huizen der Brusselaars:  “De minsten suppost van dese rasch hadt soo groote macht op ‘t woordt van den koninck, dat hij in de huysen meester was soo van geestelycke als werelycke”.

Ook de plaatselijke middenstanders fulmineerden op de  “Fransche croteurs”. Die vonden er immers niets beters op dan de overschotten van het hof van de Franse vorst te versjacheren.

Andere Fransen oefenden - zonder toelating van de Brusselse ambachten - een hele resem beroepen uit.  Daarmee berokkenden zij uiteraard oneerlijke concurrentie aan de plaatselijke middenstand.  Die  was dan ook verbolgen over de  “honderde winckels van hun natie (die) tot naerdeel van de stadts ambachten verkochten en alle stielen bedreven tot verdruckinge van de borghers”.         

Kortom: de overgrote meerderheid van de Brusselaars waren zeker niet Fransgezind. Wel integendeel ! Zij haatten het door de Fransen gevoerde beleid (“die niet Fransch gesint en waeren hunne boose regeringe haetende”) 

De bevolking was ervan overtuigd dat het Franse bedrog fataal zou leiden tot de ondergang van vele families: “beklaegende den onderganck van soo veele treffelycke mannen en ’t ruin van soo veele familie het welcke aen de Fransche bedriegerije moest toegeschreven worden”

Zelf valt de anonieme auteur en tijdgenoot meermaals uit tegen “de Fransche smausen, Godtsche en ander rasch”. Het leek er warempel op dat heel Frankrijk en alle tuchthuizen losgelaten waren om Nederland op te eten: “sij verthoonde hun gelyck mieren en maijen al of heel Vranckryck uytgelaeten en alle de rasphuysen uytgelaeten waeren om ’t Nederlandt op te eten”.

De auteur jammert dan ook over de “verdruckinge van Vlaenderen en Brabandt” en stelt met spijt vast: “de Fransche armee dede groote progressie in ’t Nederlandt”.

Er heerste dan ook grote vreugde toen er uiteindelijk een wapenstilstand kwam. Die maakte een einde aan de Franse slavernij : “waer naer volghde een stilstandt van waepenen, soo in Italien als in het Nederlandt, tot uyterste vreught van alle menschen, dewelcke haeckte om ontbonden te syn van de Franschen slavernije en uytpersinghe”.

Het valt op dat de Brusselse auteur zorgvuldig de correcte terminologie gebruikt. Hij heeft het over Brussel en de verschillende specifieke territoria vooral “Brabant” en “Vlaenderen”. Het overkoepelende geheel noemt hij zeer terecht “Nederland”. 

De onbekende Brusselaar voegt aan zijn relaas een parafrasering toe van het evangelie van Johannes ? Daarin schildert hij Frankrijk af als de bron van alle kwaad:  

“Beginsel van tnieuwe Evangelie volgens Ludovicus

In den beginne des garants der pragmatike ordonnantie was de verkeertheydt ende de verkeerthydt was bij Vranckrijck ende Vranckryck was de verkeerthijdt , dit was int beginsel bij Vranckryck.

Alle dinghen syn door Vranckrijck verwert en sonder Vranckryck en is er niet verwert ende in Vranckryck was de listighydt”.

De bezetting van 1745-1749 was het werk van de “allerchristelijkste” Franse koning. Zij verwekte heel wat ongenoegen bij de Brusselaars.

Hun wrevel werd nog groter toen de legers van de Franse Republiek en van het “Empire” Brussel bezetten. Ook in de periode 1792-1815 gaven de Brusselaars bij herhaling blijk van hun ongenoegen.

Zeker omdat de bezetter met geweld ook zijn taal wou opdringen. Dit blijkt reeds onmiddellijk na de Franse inval. In 1792, riep Brussel de andere Bra­bantse steden op om gezamenlijk de eigen instellingen te hand­ha­ven.

Toen een gemeenschappelijke actie onmogelijk bleek, pro­beerde de Zennestad het dan maar alleen. De revolutionaire legers stelden vast dat het Frans te Brussel grotendeels onbekend was. De overgrote meerderheid van de bevolking begreep die taal niet.

Anno 1792 moest een zogezegde “volksvergadering” zich uit­spreken over de aan­hechting van de Oos­tenrijkse Neder­landen bij Frank­rijk. Om alles naar wens te laten verlopen, gebeurde deze “democratische stemming”  onder het waakzame oog van Franse militairen, de bajonet op het geweer.  Negen secties (territoriale onderverde­lingen in de stad Brus­sel) stelden hun proces-verbaal op in het Neder­lands: “lor­squ’on voulut forcer la nation à émettre un voeu de réu­ni­on à France, neuf sections firent leurs procès-verbaux en flamand”.

In één sectie rees protesteerden de Brusselaars uitdrukkelijk omdat hun taal onvoldoende gerespecteerd werd. De proclamatie van generaal Dumouriez werd immers in het Nederlands vertaald. De Brusselaars vonden die vertaling blijkbaar zo stuntelig dat zij protesteerden. Zij wilden hun taal niet laten schenden :  “Dans une des sections le peuple ne voulut pas même entendre la tra­duc­tion des pro­clama­tions de Dumouriez pour ne pas laisser profa­ner sa langue appelée ‘notre langue flamande par le président J.B. Mail­lard ”.

Zelfs tijdens de Franse bezetting bleven de Brusselaars aanvankelijk verder hun rekeningen en processen-verbaal in het Nederlands opstelden.

Een typisch voorbeeld levert  G. Vanden Eijnde. Die man was niet alleen de onderpastoor van de (overigens aristocratische !) kerk van Onze-Lieve-Vrouw van de Zavel maar ook de rentmeester van het Godshuis van de Calvarie.

Tussen 1794 en 1797 bezorgde Vanden Eijnde aan de Franse overheid zijn rekeningen in het Nederlands. Toen hij dat in 1798 andermaal deed, dwongen de ‘commissaires de la République’ hem zijn rekeningen nog langer in het Nederlands op te stellen. Een kras staaltje van taaldwang !

De Brusselse notarissen protesteerden tegen het feit dat in het Nederlands gestelde tes­tamenten niet langer rechts­geldig waren. Wat konden hun klanten doen met in het Frans gestelde laatste wilsbeschikkingen ?

In 1804 moest de Franse overheid uitdrukkelijk ver­bie­den dat te Brussel een Nederlandse krant zou worden uit­ge­geven.

In 1814 nog vóór Napoleon definitief verslagen is (Waterloo, 1815),  namen de dekens van de Brus­selse ambach­ten een opgemerkt initiatief. Zij richtten zich tot de vertegenwoordiger van de geallieerden. Omdat dit een Franstalig edelman was, bedienen de Brusselaars zich van het Frans.

In die taal echter bestaat - zeker in die tijd - de term “néerlandais” niet. Franstaligen noemen het Nederlands steevast “flamand” of “hollandais”. In hun schrijven aan “son excél­lence le génér­al baron Vin­cent, gou­verneur-général de la Belgique” gebruiken de Brusselse ambachtsdekens - noodgedwongen - de Franse terminologie.

Die   prominente Brusselaars doen er hun beklag over dat het Nederlands nog steeds niet in ere was hersteld. Toch waren de Fransen reeds een paar maand uit Brussel verdre­ven. Dan waren de Duitsers er veel beter aan toe: “ Les peuples de l’Allemagne ont fait justice de ces lois révolutionnaires, ces nations ont rendu hommage à la langue de leur Pays et à leur ancienne législati­on”.

De Brusselaars echter mochten hun officiële stukken nog altijd niet opstellen in het Nederlands: “et nous avons encore à rougir de ne pouvoir employer notre langue nationale dans aucun acte public, nous sommes encore sous le joug de la langue française... ”.

Daarom eisten de ambachtsdekens dat het verbod om de nationale taal te gebruiken opgeheven zou worden: “La proscription de la langue nationale flamande doit cesser.”

Die menen uit de Brusselse bovenlaag wezen er op  dat volkeren slechts gelukkig kunnen zijn wanneer zij bestuurd worden op een manier die hun eigen inborst en zeden respecteert: “N’est il pas de principe que pour rendre les peuples heu­reux, il faut assortir le système de gouvernement à leur génie et à leurs moeurs? ”.

Blijkbaar had men ook in Brussel de geschriften van Johann Gottfried Herder gelezen ! 

Uit dit verzoekschrift uit 1814 blijkt andermaal dat ook de prominente Brusselaars - zelfs na meer dan twintig jaar Franse bezetting - nog steeds sterk gehecht bleven aan het Nederlands.

 

 

 

 

BESLUIT

Uit wat voorafgaat, blijkt overduidelijk dat de traditionele opvatting als zouden de Brusselaars altijd al franskiljons zijn geweest thuis hoort in het rijk der fabelen.

Inderdaad.

Een systematisch archiefonderzoek van Brusselse documenten uit de periode vóór 1794 toont aan  dat zij steevast het Nederlands zijn blijven gebruiken tot het moment waarop de Franse bezetter hen dat “manu militari” onmogelijk maakte.

Bovendien hebben de Brusselaars in de loop der eeuwen  bij herhaling blijk gegeven van hun afkeer voor het Frans en voor de Fransen. Dat ook in Brussel een aantal mensen hoog opliepen met de Franse taal en cultuur is evenzeer duidelijk.

Maar dat was destijds in heel Europa het geval ! Niemand minder dan J.B.C. Verlooy zelf was een groot bewonderaar van het Frans. 

Dat tot op de huidige dag die traditionele mythe nog steeds voortleeft, zegt veel over de afkeer van de Vlaamse Beweging voor “Brussel”.     

NEDERLANDS EN NIET "VLAAMS" !

De Vlaamse activist, Karel Angermille, heeft Verlooy ooit “de eerste flamingant” genoemd. Vermoedelijk zou Verlooy zelf raar hebben opgekeken van die omschrijving. Deze Kempenaar was immers geen Vlaming maar integendeel een trotse Brabander. In zijn “Verhandeling” schrijft hij met enig chauvinisme: “Maer eventwel daer is genoeg om te doen zien dat het Nederland en zelfs Braband alleen veel meer goeds en nutte uytvonden aen de wereld heeft gegeven als alle d’andere hedendaegsche natien samen”.

Verlooy spreekt wel een paar maal over Vlaanderen. Maar die rationele denker uit de 18de eeuw gebruikt Vlaanderen in zijn  enige correcte betekenis: het territorium dat grotendeels samenvalt met Oost- en West-Vlaanderen, Zeeuws-Vlaanderen en Frans-Vlaanderen.

Verlooy heeft het soms ook  over Holland en dan bedoelt hij uiteraard Noord-en Zuid-Holland. Ook Limburg, Gelre enz. zijn hem bekend.

Verlooy heeft met andere woorden oog voor de rijke diversiteit van zijn vaderland. Dit bestaat uit een aantal historisch gegroeide regio’s. Het begrip dat al die onderscheiden territoria overkoepelt is “het Nederland” of “de Nederlanden”. 

De Kempense advocaat weet uiteraard maar al te goed dat dit gebied verbrokkeld ligt over drie staten: 1) de “Oostenrycksche Nederlanden”, een deel van het Habsburgse Rijk,  2) de sedert de 16de eeuw onafhankelijk gebleven Noordelijke Nederlanden die hij de   “Vereenigde Provinciën” (p 76-77) noemt en 3) ten slotte het door Frankrijk bezette deel. Hoewel de Nederlanden staatkundig verdeeld zijn toch beschouwt Verlooy dit gebied als één geheel, zeker op cultureel en taalkundig vlak. Dit blijkt zeer duidelijk op het einde van zijn “Verhandeling”  p. 99  139

“Men ziet hier voor, dat ik de vereenigde Nederlanden aenzie als deel te maken van ons land en hun met ons als eenig volkdom achte. Zeker wat raekt onzen vaderlandschen letterstaet; dezen moet zonder twyffel niet geschyden zyn van den hunnen. Want mits hier van de moederlyke tael den grondsteen is en onze tael de zelve is met de hunne, zoo moet ook ons letterdoms gants een en’t zelve zyn. Voorders, wy zyn inderdaed het zelve volk, ’t zelve in tael, imborst zeden en gebruyken. Daerom, laet ons gezamentlyke Nederlanders, schoon wy van staet geschyden zyn, ons ten minsten in de Nederlandsche konsten aenzien als gevaderlanders en gebroeders. Laet-ons gezamender-hand ons gevoegzaem Nederduytsch handhaven, eeren en versieren en dat eyndelyck de tael van den vrydom ook eens de tael der konsten zy”.

In zijn “Verhandeling op d’onacht” vormt de “taal” het dominerende en determinerende element. Het is niet alleen een communicatiemiddel - hoe belangrijk ook !- maar ook het element bij uitstek dat de Nederlandse identiteit bepaalt. Van oudsher - Verlooy grijpt zelfs terug tot de tijd van Caesar ! -  was die eigenheid gekenmerkt door de “vrydomsgeest”. Die kwam, steeds volgens de 18de eeuwse jurist,  vooral tot uiting in de beperking van de vorstelijke macht. Precies daardoor verschillen de Nederlanders van de Fransen. Verlooy schrijft letterlijk: “Hier-van wilden wy alsdan niet, zoo Cesar zegt, gelyk wy nog niet willen tot den dag van heden, gehouden zyn voor Walen of Gallen, maer wel voor Duytsche: hier-van dien vrydomsgeest, andere staetswyze, anderen aerd, andere zeden, waer -in wy nog hedendaegs verschillen van de Fransche: hier van die bepaelde macht onzer  souvereynen. Hier van is onze historie wel de voornaemste van die der hedendaegsche volkeren van Europa”  (p. 6, 46)

Om die vrijheidszin en die identiteit te handhaven moest ook de taal bewaard en gecultiveerd  blijven. En wat is die taal van “het Nederland” ? Verlooy laat daar niet de minste twijfel over bestaan. Hij heeft het voortdurend over het “Neder-Duyts”.  Die term “Duytsch”, “Duutsch” “Dietsch” was trouwens al eeuwenlang in Brussel en elders in Brabant gebruikelijk.

Een paar jaar voor het verschijnen van Verlooy’s “Verhande-ling”  publiceerde de Brusselaar J.A. Rombauts een beschrij-ving van zijn geliefde geboortestad: “Het verheerlykt of opgehelderd Brussel, zynde eene historische en chrono-logische beschryvinge van den vorigen ende tegenwoordigen staet dezer stad versiert met thien kopere-plaeten . Dit werk werd in 1777 gedrukt “ Tot Brussel, By Pauwels, Boekdrukker en boekverkooper op de Groote - Merkt”. Rombauts schrijft in dit boek ook over de taal van Brussel : “De stads-taele is hier gemeynelyk het Brabands-Duyds ”.

Kortom de mensen in Brabant, en dus ook Verlooy, noemen hun taal “Duytsch” Toch moet deze rationele jurist tot zijn spijt vaststellen dat sommigen uitgerekend onder invloed van de Fransen (!) hun taal soms “Vlaemsch” gaan noemen.   

“Het Nederduyts is d’onze. Nochtans in het spreken nemen wy wel somtyds, volgens de Fransche benaeming van Allemand en Flamand, het woord Duytsch voor Hoogduytsch end Vlaemsch voor Nederduytsch”

Met andere woorden: het gebruiken van de term “Vlaams” in plaats van Neder-Duits is een symptoom van verfransing.

Bij de Fransen heeft die term Vlaams een uitgesproken pejoratieve bijklank. Verlooy schrijft letterlijk “Ten zy wy dan door onze domme fransverwaentheyd by den alfranswillenden Fransman die alles schat nae’t Frans , willen blyven den naem verdienen van “grossiers Flamands” (107, 67).

Heel wat mensen in de Nederlanden - waaronder ook Verlooy zelf - nemen die pejoratieve betekenis over: “het is maer Vlaemsch !”. Wanneer Verlooy in het Frans schrijft - zoals in zijn beroemde brief aan keizer Jozef II -  kan hij trouwens  niet anders dan de term “flamand” gebruiken. De reden ligt voor de hand.  In het Frans bestaat de term “Nederlander” niet. Fransen spreken niet over “un néerlandais” maar integendeel steeds over “un flamand” of “un hollandais”.

Kortom: Verlooy beschouwt zich allerminst als een Vlaming maar integendeel als een Brabander en als Nederlander.

Het kortzichtig Vlaams particularisme dat Conscience, Gezelle en consoorten tijdens de 19de eeuw zullen fabrikeren, is hem volslagen vreemd. Dat die romantici opkeken naar Vlaanderen hoeft trouwens niet te verwonderen.  Gezelle was inderdaad een Vlaming uit Brugge. Die katholieke priester beschouwde het Nederlands als de taal van de Calvinistische ketters. Conscience was dan weer de zoon van een Fransman die, net als alle Fransen, de nederlandstaligen reduceert  tot “flamands”of “hollandais”. Hoewel Conscience opgroeide in de Brabantse stad Antwerpen had hij weinig oog voor de specifieke Brabantse tradities. Ter verontschuldiging van Consciene kan worden gezegd dat de geschiedeniswetenschap toen nog in haar kinderschoenen stond. Hoewel …,  Jan Frans Willems had reeds de middelnederlandse Brabantse kronieken van Jan van Heelu en Jan van Boendale gepubliceerd. Ook Verlooy’s Verhandeling (1788) bestond reeds.  Indien Conscience Verlooy die werken zou hebben gelezen, had hij allicht nooit de “Leeuw van Vlaenderen” geschreven !

Ik durf natuurlijk niet veronderstellen dat de vurige Belgische patriot Conscience er welbewust voor gekozen zou hebben om het middeleeuwse graafschap Vlaanderen op te hemelen om Belgisch politieke redenen.

In Vlaanderen, leen van Frankrijk, was het Frans sedert de middeleeuwen veel sterker ingeworteld dan in het van het Duitse Rijk afhankelijke Brabant. Reeds Godefroid Kurth had dat duidelijk vastgesteld.

Wie, zoals alle flaminganten uit die tijd, bewonderend opkeek naar het Frans en ijverde voor een tweetalig “Vlaanderen” kon inderdaad met Brabant maar weinig aanvangen.

BRUSSEL DE EEUWIGE ZONDENBOK

Uit de bijdrage “Brussel en Brabant, een succesverhaal” is gebleken dat Brussel in samenwerking met Brabant een uitzonderlijke bijdrage geleverd heeft tot de algemeen Nederlandse cultuurgeschiedenis.

Eigenlijk is Brussel voor de Nederlanders - niet alleen uit “Zuid” maar ook uit “Noord” - wat Jeruzalem betekent voor de Joden.

Toch vormt datzelfde “Brussel” voor vele Vlamingen en dit sedert ettelijke decennia, de steen des aanstoots.

Deze stad is - om het zacht uit te drukken - niet erg geliefd.

Het gaat hier trouwens om een algemeen verschijnsel. In vele landen heerst er inderdaad nogal wat wrevel tegenover de “bemoeizieke hoofdstad en haar bureaucraten”.

Dit geldt niet alleen voor Brussel maar evenzeer voor Berlijn, Parijs, Londen, Rome, Madrid, Moskou, Washington enz. In die machtscentra treft men nu eenmaal vaak beslissingen die het leven van de brave burger verzuren. Er worden niet alleen wetten en reglementen uitgevaardigd maar ook belastingen geheven. Mede daarom leeft er - in Vlaanderen evengoed als in Wallonië -  ongenoegen tegen de hoofdstad.

Vaak hoort men “Brussel heeft weer iets beslist”, lees: “een stommiteit uitgehaald”.

In 2011 fulmineerde Manu Claeys, de woordvoerder van de Antwerpse “Straten-Generaal”  tegen “Brussel”. Die aanhanger van “Groen !” beweerde dat “Brussel” de Antwerpenaars  een regeling voor de Oosterweelverbinding door het strot wou duwen. Zelfs in zogenaamde “progressieve” milieus doet een uitval tegen “Brussel” het blijkbaar nog altijd goed.

De term “Brussel” wordt hierbij uiteraard totaal ten onrechte gebruikt omdat noch  Charles Picqué, Minister-President van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest noch Freddy Thielemans, de burgermeester van Brussel, in de verste verte iets te maken hadden met de ring rond Antwerpen.

Die mobiliteitsregeling  kwam integendeel van de Vlaamse Regering, geleid door Kris Peeters, nota bene afkomstig uit de provincie Antwerpen…

In het voorjaar van 2012 rommelde het bij de Open-VLD van de Scheldestad. Daar pikte de oude garde het niet dat “Brussel” aan de Antwerpse liberalen Annemie Turtelboom wou opdringen…     

Kortom: velen gebruiken de term “Brussel” wanneer zij “de overheid” of “de politiek” bedoelen.

Die begripsverwarring valt trouwens enigermate te begrijpen.

In Brussel zijn inderdaad niet alleen het federale en het Vlaamse parlement gevestigd maar ook de Belgische  en de Vlaamse regering met bijbehorende administratieve diensten.

Meer nog !

Zelfs het Europees parlement vergadert regelmatig in Brussel.

Ook de “Europese Commissie” vond een onderkomen in die stad. Precies daarom verklaarde de Noord-Nederlandse politicus Geert Wilders in april 2012: “Ik accepteer niet dat ouderen in de portemonnee moeten betalen voor onzinnige Brusselse eisen. Het totaalpakket was onaanvaardbaar en niet in het belang van de PVV kiezers. Wij willen niet luisteren naar de dictaten vanuit Brussel. Wij willen niet onze gepensioneerden laten bloeden voor Brussel. Wij hebben de rug recht gehouden tegen de 3-procentseis van de Brusselse bureaucraten.”

Kortom: “Brüssel ist unser Unglück !” 

Vele regionale, nationale, Europese en internationale instan-ties vergaderen regelmatig te Brussel met het nodige  (verkeers) ongemak tot ergernis van de Brusselaars.

Toch bestaat “de politiek” - op een zeer beperkt aantal  uitzonderingen na - uit mensen  die niets met Brussel te maken hebben.

Wel integendeel !

Die beleidsvoerders kregen hun mandaat van burgers die ver buiten de Zennestad wonen. Zij, en niet de veelgesmade Brusselaars, zijn verantwoordelijk voor al die wetten, reglementen, verordeningen enz. die zoveel wrevel opwekken. 

Kortom: de naam “Brussel” wordt voortdurend ten onrechte gebruikt. Velen zien daar trouwens allerminst graten in.

Zij vergissen zich schromelijk. Want de gewone burger gaat uiteindelijk geloven dat “Brussel” hetzelfde is als “de staat”, “de overheid”, “Europa”. Voor hem bestaat er geen onder-scheid meer tussen beiden. Toch is dat verschil levensgroot.

Bovendien draagt dergelijke populistische en demagogische slogantaal in niet geringe mate bij tot het uitgesproken negatief imago van “Brussel”. Die stad krijgt steevast de schuld van al wat er misloopt in Vlaanderen, in België en in Europa.

Toch lijdt het geen twijfel dat ook andere factoren Brussel niet erg geliefd maken:  de onveiligheid, de criminaliteit, de vervuiling enz.        

 

HISTORIEK VAN EEN BEGRIPSVERWARRING

Die wrevel tegenover de hoofdstad dateert niet van vandaag.

Reeds tijdens de 16de eeuw - niet toevallig de periode waarin Brussel stilaan uitgroeide tot de “Princelijcke Hoofstadt van’t Nederlandt” - werd die Brabantse stad al in belangrijke  mate vereenzelvigd met de centrale staat.

De Nederlanden stonden toen onder de heerschappij van de Spaanse Habsburgers. Karel V (1515-1555) en vooral zijn zoon Filips II (1555-1598), traden hardhandig op tegen de aanhangers van de hervorming. Daarom hekelden de Gentse Calvinisten in hun “Vader Onzer” de hertog van Alva als een “helschen duvel”. De Gentenaars legden daarbij duidelijk een link tussen die bloeddorstige Spaanse hertog enerzijds en  “Brussel” anderzijds:  

“Helschen duvel, die tot Brussel sijt, 
Uwen naem ende faem sy vermaledijt, 
U rijck vergae sonder respijt, 
Want heeft geduyrt te langen tijt. 
… 
O Hemelschen Vader, die in den hemel sijt, 
Maeckt ons desen helschen duvel quijt, 
Met sijnen bloedigen, valschen raet, 
Daer hy meede handelt alle quaet, 
Ende sijn Spaens krijchsvolk allegaer, ’
t Welck leeft of sy des duvels waer”.

Tijdens de daarop volgende eeuwen zal die gelijkschakeling tussen “Brussel” en  “de staat” zich steeds sterker doorzetten.

In de Zuidelijke Nederlanden heerste er immers heel wat wantrouwen tegenover de “staat”.

De centrale macht berustte overigens niet bij autochtone bestuurders maar integendeel bij prominenten die het vertrouwen genoten van vreemde vorsten.

In het overheidsapparaat van de Bourgondiërs (1406-1482), de Spaanse (1482-1713) en de Oostenrijkse Habsburgers (1713-1792/94) gaven buitenlanders de toon aan.

In werkelijkheid echter vielen de beslissingen niet te Brussel maar integendeel te Dijon, Madrid of Wenen.

Tijdens de Franse Bezetting geraakte Brussel helemaal uitgeschakeld. De Zennestad  was toen gedegradeerd tot een van de vele “villes de province”. Tussen 1792 - 1815 dicteerde alleen Parijs de wet.

Brussel won opnieuw aan belang onder koning Willem I (1815-1830). Tijdens zijn bewind werd Brussel samen met Den Haag de hoofdstad van het Koninkrijk der Nederlanden. 

Nadat de Waalse en Franse separatisten in 1830 hun slag had-den thuis gehaald, groeide Brussel uit tot de gecentraliseerde hoofdstad van het francofone België.

Net als in andere landen heerste er ook in België nogal wat ongenoegen tegenover  de hoofdstad.

Die afkeer werd  nog versterkt  doordat de Vlaamse Beweging  “Brussel” van oudsher beschouwde als de bron van de verfransing.

In 1912 publiceerde de Antwerpse dichter Karel van den Oever een aantal verzen die aan duidelijkheid niets te wensen overlaten:

“Brussel, dat is de laffe daad ,

tegen mijn ziel, mijn hart, mijn kracht

Brussel, dat is de laffe smaad,

die mij versmacht.

Brussel, dat is de ploertige logen,

gefluisterd tegen mijn rustig brein

dat is gal op mij gespogen

dat is onzuiver, dat is onrein

Brussel, Brussel, o gij onrecht

tegen mijn levend mijn denkend gedacht,

prangende boei waaruit ik mij vrij vecht,

trots uw macht,

trots ge lacht.

Eens zullen klokken anders luiden,

eens waait over ’t volk een andere vaan,

eens weet het Franse en Belgische Zuiden

dat de Vlaming, de Vlaming is opgestaan”

 

Die bedenkelijke haatlitanie brengt een samenvatting van alle vooroordelen die de flaminganten koesteren tegen “Brussel”.

Wie vandaag in soortgelijke bewoordingen zou spreken over allochtonen, krijgt gegarandeerd moeilijkheden met het “Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding”.

Tegenover “Brussel” echter zijn dergelijke uitvallen wel geoorloofd…

Toch is dit gedicht - hoe hatelijk en stompzinnig ook ! - zeer interessant. Uit die verzen blijkt immers duidelijk dat een fatale begripsverwarring ten  grondslag ligt aan heel wat Vlaamse aversie ten aanzien van “Brussel”. 

Inderdaad ! Karel Van den Oever gebruikt hier telkens het woord “Brussel” daar waar hij eigenlijk “België” bedoelt.

Ook vele flaminganten begaan constant diezelfde vergissing. Zij beschouwen Brussel als het symbool bij uitstek van het door de francofone bourgeoisie gedomineerde België.

Met andere woorden:  “Brussel” is voor hen gewoonweg gelijk aan “België”.

Het toppunt is echter dat uitgerekend het veelgesmade “Brussel” het eerste en het ergste slachtoffer is geworden van datzelfde “België”.

“België” heeft immers  “Brussel” verfranst !

En niet omgekeerd ! 

Ten slotte, maar zeker niet in het minst, hebben  de Brusselaars in de loop der eeuwen voortdurend blijk gegeven van hun gehechtheid aan het Nederlands.

Meer nog ! Telkens weer hebben zij zich uitdrukkelijk verzet tegen het opdringen van het Frans.    

Paul De Ridder Brussel&Firenze

Paul De Ridder Brussel&Firenze

Paul De Ridder Brussel&Firenze

Paul De Ridder Brussel&Firenze