x

DE WALEN EN DE KENNIS VAN HET NEDERLANDS

 

14 februari 2012

Een tweetal jaar geleden wijdde “Panorama” een uitzending aan het taalonderricht in Franstalig België.

Daaruit bleek dat het Franstalig onderwijs - op een beperkt aantal uitzonderingen na - er nog steeds niet in slaagt om goede twee- en meertaligen te vormen.

Blijkbaar is de toestand er nog niet veel verbeterd.

Ook vandaag laat de kennis van het Nederlands nog veel te wensen over.

Dit blijkt trouwens ook uit een recente publicatie van Dominique Watrin uit Binche: “Mijn vader is groot ou comment je suis devenu un con qui ne parle pas le néerlandais.”.

In dit boek (dat niet minder dan 185 blz. telt), verklaart de auteur dat het Franstalig onderwijs nog steeds niet in staat is om mensen te vormen de vlot Nederlands kennen.

Trouwens: ook met de kennis van andere talen Engels en Duits is het verre van schitterend gesteld.

Dominique Watrin spreekt uit eigen ervaring.

Hij volgde immers zelf zeventien jaar lessen Nederlands, van het eerste leerjaar tot zijn universitaire diploma in de journalistiek en behaalde altijd goede cijfers.

Toch omschrijft hij zichzelf als “un con qui ne parle pas le néerlandais”.

Watrin hekelt de houding van de leerkrachten Nederlands.

Zij gaven immers blijk van bitter weinig enthousiasme.

Reeds hun eerste les begonnen zij met een zucht. Zij onderwezen Nederlands omdat het moest.

Ook de leerlingen hadden er geen zin in.

Zij vroegen dan ook om vrijgesteld te worden van de les “flamand”, naar analogie met  andere medescholieren die niet moesten deelnemen aan de les … turnen.

 

WEINIG VERANDERD

In zijn recent boek bevestigt D. Watrin eigenlijk volmondig wat J.P. Gaillez van het “Centre des langues vivantes” een paar maand eerder verklaarde in de VRT uitzending “Panorama”.

Inderdaad.

Kinderen die in hun omgeving voortdurend op een misprijzende wijze horen spreken over “le flamand” zijn allerminst gemotiveerd om zelf Nederlands te leren.

En dat in de Franstalige media niet altijd op een respectvolle manier wordt gesproken over de Nederlandstaligen bleek onlangs nog duidelijk uit de studie van Michielsens en Angioletti.    

Het misprijzen voor “Vlaanderen” en “de Vlamingen” bestaat overigens reeds lang.

Jules Destrée schreef destijds al dat de Walen voor het Vlaams “une répugnance instinctive et profonde” koesterden.  

Die mentaliteit vloeit voor een stuk voort uit de verschillen in de sociaal economische ontwikkeling die beide gewesten hebben gekend.

“Vlaanderen”, zoals men het Nederlandse deel van België op het einde van de 19de eeuw is gaan noemen, bleef lange tijd een landelijk en agrarisch gebied.

In Wallonië daarentegen begon reeds op het einde van de 18de eeuw een eerste industrialisering.

Die zette zich  krachtig door tijdens de 19de en de eerste helft van 20ste eeuw.      

Vanuit het “arm Vlaanderen” (zoals Pater Stracke het noemde) trokken talloze ongeschoolde werkkrachten als gastarbeiders naar Wallonië om er het vuile werk te verrichten.

Zij moesten er hard zwoegen voor een bescheiden loon. 

Die Vlamingen gingen dus allerminst naar Wallonië om er te profiteren van de uitkeringen.

In die tijd bestond er immers nog geen sociale zekerheid. Die kwam pas tot stand na 1945.

De Vlaamse migranten werden in Wallonië beschouwd als mensen die erfelijk belast waren (“des arriérés congénitaux”).

Op Waalse Congressen werd zondermeer beweerd dat de sociaal-economische en culturele achterstand van de Vlamingen het fatale gevolg zou zijn van … inferieure raskwaliteiten.

Die opvatting leefde ook bij de gewone man in Wallonië. In het theater en in volksliederen zongen men: “doze flamand et on pourcia fet traze biesse” (“twaalf Vlamingen en een varken vormen samen dertien beesten”).

Lang na de 19de eeuw, tot in de jaren 60’ van de twintigste eeuw, gold ten Zuiden van de taalgrens: “les flamins c’est ni des djins” (“Vlamingen zijn geen mensen”).

Dergelijk superioriteitsgevoel vindt men ook terug in een recent boek van Jean Claude Van Cauwenberghe.

In zijn publicatie “Oser être Wallon” (1998) pakte de voormalige Waalse Minister-president andermaal uit met die oude opvatting als zou de Franse cultuur superieur zijn. 

Van Cauwenberghe verklaarde letterlijk: “Notre identité première est donc Française …dans le recours à un outil unique, incomparablement supérieur à celui que constitue la langue néerlandaise” (p. 132).

In die omstandigheden hoeft het uiteraard allerminst te verwonderen dat, alle gepraat over “immersiescholen” ten spijt, Walen ook vandaag niet erg geneigd zijn Nederlands te leren.

Gevolg: tijdens een persconferentie onderbreekt een Waalse journaliste botweg een Vlaamse excellentie met de vraag : “Gelieve alles in het Frans herhalen want ik begrijp er niets van”.

 

 

EN DE CIJFERS  ?

In 2008-2009 opteerden in het Waals middelbaar onderwijs 49 % van de leerlingen voor het Nederlands als tweede taal en 49 % voor het Engels.

De overige twee procent gaven de voorkeur aan Duits.

Maar volgens de laatst beschikbare cijfers (2009-2010) gaat het Nederlands er op achteruit.

Vandaag opteren slechts 46 % van de leerlingen voor het Nederlands tegen 52 % voor het Engels.

De officiële verklaring luidt dat de communautaire impasse de interesse voor het Nederlands hebben doen verminderen.

Bovendien bleek uit een studie van de universiteit Namen dat de Walen het Nederlands blijven beschouwen als een lelijke, moeilijke, achterlijke (sic !) taal.

Dominique Watrin voegt er nog de kwalificatie 'barbaars' aan toe.

Een taal waar je zo tegen aankijkt, leer je niet graag, zelfs in 2012.

Het besluit van Watrin’s boek klinkt dan ook niet erg positief. 

 

EN IN BRUSSEL ?

Voor ons Brusselaars ligt de conclusie dan ook voor de hand.

Wij hebben er alle belang bij meer nog dan vroeger in te zetten op ons eigen Nederlandstalig onderwijs.

Onderwijs moet – meer dan ooit ! - een bevoegdheid van de gemeenschappen blijven.

Een onderwijs “op zijn Belgisch” kunnen wij missen als de pest.

Wij hebben heel de 19de en 20ste eeuw trouwens gezien waartoe dit heeft geleid. Een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen…   

Uiteraard moeten de Nederlandstalige scholen in eerste instantie onderdak verschaffen aan kinderen waarvan minstens een der ouders Nederlandstalig is.

Het kan dus niet langer dat Nederlandstalige ouders in Brussel geen plaats meer vinden voor hun kinderen in  Nederlandstalige scholen.

Maar eens er gezorgd is voor de Nederlandstalige kinderen moeten wij er in Brussel tevens voor zorgen dat ook zoveel mogelijk anderstalige kinderen in onze Nederlandse scholen opgeleid worden.

Enkel zo kunnen zij uitgroeien tot de meertaligen die het pluriculturele Brussel nodig heeft.

Dit moet een absolute prioriteit zijn !

Desnoods moeten andere sectoren - zoals cultuur - tijdelijk inleveren om - meer nog dan vroeger - een performant en kwaliteitsvol Nederlands onderwijsnet uit te kunnen bouwen.  

Dergelijke investeringen in een gemeenschapsmaterie hebben bovendien  het grote voordeel dat zij volledig onder de controle vallen van de Nederlandse Gemeenschap.

Die kan volop toezien op de verantwoorde besteding van deze gelden.

Hier is er met andere woorden geen sprake van een “blanco cheque”.              

Wij hopen dan ook dat men in Vlaanderen oog zal hebben voor de enorme demografische uitdaging waarmee het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geconfronteerd wordt

Indien men geen oog zou hebben voor de aangroei van de jongeren in Brussel dan moet men achteraf niet komen jammeren dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geld uittrekt niet alleen voor scholen maar ook voor kinderkribben en peutertuinen.

Bovendien dreigen ook de gemeenten (waar de Nederlandstaligen bitter weinig te zeggen hebben !) meer en meer initiatieven te nemen op dit terrein.

De 19 baronieën dreigen met andere woorden meer en meer macht te veroveren ten nadele van het BHG waar de Nederlandstaligen sterker staan.

Dit kan toch niet de bedoeling zijn !     

 

 

DE EXPOSITIE ROGIER VANDER WEYDEN

2 december 2013

 

De directeur van de Musea voor Schone Kunsten is zelf verantwoordelijk voor het debacle rond de Rogier Van der Weydententoonstelling, vindt Brussels parlementslid en historicus Paul De Ridder (N-VA).

Volgens De Ridder heeft de museumdirecteur zelf de opdracht gegeven gaten te boren in het dak van de tentoonstellingsruimte, met alle gevolgen van dien.

Voor museumdirecteur Draguet is het zo klaar als een klontje: de aannemer heeft op eigen houtje gaten geboord in het dak van de ondergrondse tentoonstellingsruimte.

Een daad met grote gevolgen: door waterinsijpeling moest de expo over de Vlaamse primitief Rogier van der Weyden in de Musea voor Schone Kunsten voortijdig sluiten.

“Toen we het merkten, hebben we alles stopgezet, maar er was water binnengesijpeld in het dak”, zegt hij.

Brussels parlementslid Paul De Ridder (N-VA) - zelf historicus - gelooft echter niets van de verklaring van Draguet.

“De directie heeft die vraag zelf gesteld, natuurlijk. Een aannemer gaat toch niet zomaar op eigen houtje een paar gaten boren in de dekplaat van een museum.”

De Ridder kaart de gatenhistorie in het Museum voor Schone Kunsten aan in het Brussels parlement.

Het Gewest gaat nu ter plaatse controleren of de werken volgens de regels zijn verlopen.

 

Belgenmop


De schilderijen van Rogier Van der Weyden zouden geen waterschade hebben opgelopen.

Maar Brussel heeft veel krediet verloren bij prestigieuze buitenlandse musea, vreest De Ridder.

“Dit is een Belgenmop. Dergelijke werkzaamheden uitvoeren in een museum waar panelen uit de vijftiende eeuw staan, dat is onvoorstelbaar.”

De expo opzetten kostte anderhalf miljoen euro en vier jaar wetenschappelijk werk.

Alleen al aan tickets loopt het museum waarschijnlijk zo’n 600.000 euro mis, schreef De Standaard eerder deze week.

Topmusea uit de hele wereld hadden werken in bruikleen gegeven.

Die worden nu allemaal teruggestuurd.

 

 

Fin de Siècle

De gaten in het museumdak werden overigens geboord om een zeil op te hangen voor het Fin-de-Sièclemuseum, dat volgende week open gaat. Het museum veroorzaakte veel ophef in culturele middens. De toegangsprijzen voor de Musea voor Schone Kunsten worden door de opening wel een stuk goedkoper.

 

 

Bron : Brussel Deze Week, 29 november 2013

ALLOCHTONEN IN NEDERLANDSTALIG ONDERWIJS

ALLOCHTONEN WELKOM IN NEDERLANDSE SCHOLEN

DE BEWERINGEN VAN BRUNO DE LILLE

In “Knack” beweert Bruno De Lille:

“Toen we enkele jaren geleden in het Brussels Parlement en de Raad van de VGC de eerste discussies hielden over het plaatstekort, verwachtte ik steun van de N-VA omdat ik dacht dat zij het Nederlandstalig Onderwijs zouden zien als een goed middel om meer Brusselaars Nederlands te leren. Nee hoor, onze Brusselse N-VA-parlementsleden zien in die nieuwe leerlingen namelijk vooral een bedreiging. De mix met anderstaligen zint hen niet. Hun argument is ideologisch, niet budgettair. ”

Deze verklaringen van Bruno De Lille zijn pertinent onjuist.

Eerst en vooral telde het Brusselse Parlement tussen 2009-2014 slechts één enkel parlementslid : Paul De Ridder. “Enkele jaren geleden” had de N-VA dus geen meerdere “parlementsleden” (in meervoud zoals De Lille beweert)

Ten tweede volstaat het gewoon de integrale verslagen van de zittingen van de Raad van de VGC op te roepen op de web-site van deze instelling om vast te stellen dat de N-VA in al haar tussenkomsten inzake onderwijs telkens weer gepleit heeft voor meer investeringen in het Nederlandstalig onderwijs.

Dit is in het belang van Brussel omdat alleen het Nederlandstalig onderwijs taalonderricht op niveau verschaft.

De N-VA heeft (tot vervelens toe !) gesteld dat de Nederlandstaligen hun performant Nederlandstalig onderwijsnet in eigen handen moeten houden. Sinds 1830 hebben wij immers tot onze schade en schande moeten ervaren dat wij allerminst op de Belgische overheden kunnen rekenen om de belangen van ons onderwijs te verdedigen. Wij moeten dit zelf doen.

Precies daarom verzetten wij ons radicaal tegen een onderwijs dat geregeld zou worden door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zoals Groen bepleit.

Alleen het Nederlandstalig onderwijs levert immers de twee- en meertaligen af waaraan Brussel dringend behoefte heeft.

Allochtone en anderstalige ouders weten dit trouwens maar al te goed. Precies daarom sturen zij hun kinderen massaal naar de Nederlandstalige scholen.

Waarom iets veranderen dat goed werkt ? Never change a winning team !

Uiteraard moet men (niet alleen in Brussel maar evenzeer in Antwerpen, Gent, Mechelen, Vilvoorde, Aalst enz. enz. ) terdege rekening gehouden met de specifieke omstandigheden gesteld door klassen met een groot aantal kinderen voor wie het Nederlands niet de huistaal is.

De N-VA heeft in het Brussels parlement – telkens weer ! – gesteld dat de Nederlandstalige scholen wijd open moet staan voor anderstaligen en allochtonen.

Het Nederlandstalig onderwijs biedt hen de kans tot sociale promotie !

Wie iets anders beweert, loochent het licht van de zon.

 

 

14 MAART 2015 

Paul De Ridder Brussel&Firenze

Paul De Ridder Brussel&Firenze

Paul De Ridder Brussel&Firenze

Paul De Ridder Brussel&Firenze