Home » 2 BRUSSEL ACTUALITEIT » ANTI-BRUSSELSE VOOROORDELEN

ANTI-BRUSSELSE VOOROORDELEN

ANTI-BRUSSELSE VOOROORDELEN

ANTI-BRUSSELSE VOOROORDELEN GEZIEN DOOR EEN NEDERLANDSTALIG BRUSSELAAR

 

I

 

Eigenlijk ben ik Brusselaar geworden in Antwerpen.

 

Tijdens mijn studententijd (1968-1970) werd ik in de Scheldestad geconfronteerd met de vijandigheid ten aanzien van Brussel.

 

Merkwaardig genoeg treft die afkeer niet alleen een aantal arrogante francofonen maar (zij het wat meer omfloerst) zelfs de Nederlandstalige Brusselaars…al spreken die vaak heel wat beter Nederlands dan vele Sinjoren.

 

Toen ik later in Vlaanderen ging pleiten voor een meer positieve houding ten aanzien van Brussel, merkte ik vrij spoedig dat mijn stad bij heel wat Vlamingen niet erg geliefd was, om het zacht uit te drukken.

 

Het (totaal vertekende) beeld dat men in Vlaanderen over Brussel heeft ziet er ongeveer als volgt uit: Heel lang geleden was Brussel een “Vlaamse” stad.

 

Omdat de Brusselaars echter altijd al een “dikke nek” gehad hebben , zijn zij reeds onder het bewind der hertogen van Bourgondië (1430-1482) naar het sjiekere Frans overgestapt.

 

Tijdens de daarop volgende eeuwen hebben zij telkens weer hand- en spandiensten verleend aan de vreemde vorsten die onze gewesten regeerden.

 

In 1830 hebben de Brusselaars de Hollanders verjaagd en de Belgische staat gemaakt om zo nog beter te kunnen parasiteren op de rug van de Vlamingen (en van de Walen).

 

Op de koop toe heeft “Brussel” gepoogd heel Vlaanderen te verfransen. Dat is echter voorlopig niet gelukt ook al probeert Brussel vandaag nog altijd Vlaamse grond en Vlaamse mensen te annexeren.

 

In de hoofdstad wordt de Vlaming misprezen. In winkels, grootwarenhuizen, musea, concertzalen culturele centra en officiële diensten kan de Vlaming met zijn taal niet terecht. In hospitalen en bejaardentehuizen heersen nog schandalige wantoestanden.

 

Daarbij komt nog dat “Brussel” niet alleen verantwoordelijk is voor alle belastingen die de brave burger worden opgelegd maar ook voor talloze onzinnige wetten, reglementen en voorschriften (met bijbehorende bureaucratie en paperassen) die het leven van de gewone man verzuren.

 

Tot zover het beeld dat de doorsnee Vlaming over Brussel heeft.

 

Het wekt dan ook geen verwondering dat slechts weinigen onder hen bereid worden gevonden om in zo’n milieu te komen leven.

 

Wanneer het echter niet anders kan dan zijn Vlamingen desnoods wel bereid te Brussel te komen werken maar, eens de dagtaak volbracht, pendelen zij per wagen, per bus, of per trein terug naar de eigen vertrouwde kerktoren.

 

Als iemand die ondubbelzinnig tot de Nederlandse gemeenschap behoort (als Brusselaar en dus Brabander kan ik mij bezwaarlijk een “Vlaming” noemen want dit zijn de mensen die wonen in Oost- en West-Vlaanderen) weet ik natuurlijk dat er te Brussel heel wat is misgelopen.

 

Ondanks een schuchtere kentering ten goede moet hier nog heel wat veranderen opdat Nederlands- en Franstaligen er werkelijk gelijkwaardig zouden zijn.

 

Toch zouden de Vlamingen eens wat verder moeten leren kijken dan hun neus lang is.

 

Dit vergt uiteraard een inzicht in de historische ontwikkeling. Zoals Regine Pernoud, conserva-tor bij de “Archives Nationales” (Parijs), het terecht stelde, laat de geschiedenis niet toe een oplossing te formuleren voor bepaalde actuele problemen maar maakt deze discipline het wel mogelijk het probleem correct te stellen zodanig dat het reeds half opgelost is.

 

Wie de feiten onbevangen en onbevooroordeeld beschouwt, moet erkennen dat het veelgesmade Brussel in feite het eerste en ergste slachtoffer is geweest van de eeuwenlange vreemde overheersing in onze gewesten en de daarmee gepaard gaande denationalisering.

 

 

BRABANT NEDERLANDSER DAN VLAANDEREN

 

Toch waren de toestanden op taalgebied hier lange tijd heel wat “democratischer” dan in Vlaanderen.

 

In dit territorium (de huidige provincies Oost- en West-Vlaan-deren, Zeeuws-Vlaanderen en het bij Frankrijk geannexeerde deel) was het Frans van oudsher de officiële taal van de grafelijke administratie.

 

Heel wat van die fameuze graven van Vlaanderen waar de flaminganten telkens weer met veel bewondering  naar opkijken, kenden geen woord Vlaams…

 

Ook de begoede burgerij (de zgn.”leliaerts”) van steden als Brugge, Gent, Ieper, Kortrijk enz. hanteerde courant het Frans al was het “Vlaams” ongetwijfeld de taal van de brede lagen van het volk.

 

Heel anders was de toestand in Brabant. Te Brussel, Leuven, Antwerpen, Lier, Breda, en ’s Hertogenbosch was naast het Latijn het Nederlands (“Neder-Duytsch”, “Dietsch”) de officiële taal.

 

Alleen in het uiterste Zuiden van dit territorium met het agrarische “Roman Pays de Brabant”  werd - volkomen logisch - het Frans als officiële bestuurstaal gehanteerd.

 

Omdat Brussel een Brabantse (en geen “Vlaamse”)  stad was, is het Nederlands er eeuwenlang de voertaal gebleven niet alleen van het volk maar ook van de hoge burgerij.

 

Een Waals historicus, Hervé Hasquin, hoogleraar aan de “Université Libre de Bruxelles” berekende dat in 1780 te Brussel nog geen 15 % franstaligen woonden. Zowat 90 % van de bevolking van de Zennestad was op dat ogenblik nog Nederlandstalig.

 

GALLOMANIE IN HEEL EUROPA

 

Bovendien mag nooit vergeten worden dat het Frans tijdens de zeventiende en achttiende eeuw een grote opgang kende in heel Europa. Een stad als Berlijn in Pruisen telde anno 1700 zo maar eventjes 25 % Franstaligen.

 

Zowel in de Noordelijke Nederlanden, in Duitsland als in Engeland en elders deden dichters en schrijvers destijds hun beklag over de “gallomanie” van de hogere standen.

 

Ook Brussel als hoofd- en hofstad ontsnapte niet aan dit algemeen Europees verschijnsel.

 

Daartegenover staat echter dat men te Brussel - maar dat wordt gewoonlijk niet verteld - ook heel wat sporen vindt van verzet tegen verfransing.

 

Reeds in 1488 verklaart de Bourgondische kroniekschrijver Jean Molinet dat de Brusselaars in die oorlogsjaren altijd Walen en Fransen gehaat hebben omwille van hun taal…

 

In 1725 verzetten de Brusselse wethouders zich tegen de benoeming van J.B. Rousseau tot geschiedschrijver , niet alleen omdat het een Fransman is maar ook omdat hij onvoldoende Nederlands kent om de Brusselse archiefdocu-menten te lezen.

 

Zelfs tijdens de Franse bezetting protesteren de Brusselaars tegen het opleggen van het Frans.

 

Onmiddellijk na de aftocht van de Fransen in 1814 vragen de dekens der Brusselse ambachten het herstel van de moedertaal. Dit verzoekschrift wordt algemeen beschouwd als een der eerste uitingen van de zgn. “Vlaamse Beweging” .

 

MUITERS VAN 1830

 

Maar wat was dan de rol van de Brusselaars bij het oproer van 1830 ?

 

Het lijdt uiteraard geen twijfel dat de Brussel losbrak en dat heel wat “gevechten” in deze stad hebben plaats gevonden. Toch werd nergens bewezen dat de Brusselaars daarbij een belangrijke rol zouden gespeeld hebben.

 

Het oproer van 1830 werd grotendeels gedragen door Walen (Luikenars en Henegouwers) en zelfs door Fransen die naar de hoofdstad, symbool van een door hen verfoeid Hollands regime trokken om daar - tot groot ongenoegen van de plaatselijke bevolking  (de Brusselaars nl.) - rellen uit te lokken.

 

Niet alleen te Brussel maar ook elders in de Zuidelijke Nederlanden streefde de lagere burgerij onder impuls van advocaten en journalisten naar meer politieke medezegging-schap die door de hogere burgerij (rijke industriëlen en ondernemers) gemonopoliseerd werd.

 

Omdat Holland  uit krenterig eigenbelang (ondermeer de vrees voor de concurrentie van de Antwerpse haven) de “muitende zuiderlingen” kwijt wilde en ook Engeland beducht was voor een te grote economische en commerciële macht van de Verenigde Nederlanden konden een klein aantal separatisten in 1830 hun slag thuishalen.

 

Uit: De Brusselse Post, 15 sept. 1989, p. 16-17

 

 

II

 

 

De nieuwe Belgische staat werd volkomen beheerst door de Franstalige bourgeoisie. Dergelijke Franstalige bourgeoisie vond men lang niet alleen te Brussel maar ook elders in het Nederlandse taalgebied bestond een dergelijke autochtone bovenlaag.

 

Het Belgisch regime heeft - in tegenstelling tot de Franse bezetter - geen systematische en bewuste verfransingspolitiek gevoerd.

 

Toch betekent dit allerminst dat het er voor het Nederlands te Brussel en elders beter uitzag. In de ogen van de Belgische machthebbers was “le Flamand” een onooglijk allegaartje van barbaarse dialecten, volslagen ongeschikt om een rol te spelen in het openbaar leven.

 

Ook in Nederlandstalig België ( wat men sedert de 19de eeuw ten onrechte “Vlaanderen” is gaan noemen) vroegen heel wat mensen niet liever dan zo snel mogelijk naar het Frans over te schakelen omdat die een noodzakelijke voorwaarde was voor sociale promotie.

 

Maar ook dit is iets waar men in Vlaanderen niet graag aan herinnerd wordt: franskiljonisme vindt men uitsluitend bij de snode Brusselaars !

                                                   

Tot in de verste uithoeken van de Kempen, West-Vlaanderen of Limburg werden Waalse en zelfs Franse beambten aan-gesteld (stationschefs, postmeesters, belastingcontroleurs enz.).

 

Het spreekt uiteraard vanzelf dat de verfransende invloeden die van het Belgische (niet het Brusselse !) regime uitgingen zich het krachtigst lieten gelden in de stad waar de centrale administratie van dergelijke Frans-ééntalige staat geconcentreerd was, nl. te Brussel.

 

 

BRUSSEL HET GROTE SLACHTOFFER

 

Brussel is dan ook het eerste en het ergste slachtoffer van de Belgische denationalisering. Maar dat is men in Vlaanderen reeds lang vergeten…

 

De Brusselaars werden in zekere zin tot vreemden gemaakt in hun eigen stad.

 

Die werd overgeleverd aan inwijkelingen zonder stadsgevoel. En dit is juist het grote drama van Brussel.

 

Het ontbreken van een authentiek stadsgevoel zoals men dat bv. aantreft bij Antwerpenaren, Bruggelingen of Luikenaars verklaart grotendeels hoe het mogelijk is geweest dat Brussel urbanistisch en sociaal verknoeid is geworden.

 

Telkens weer moest de lokale bevolking plaats ruimen voor zielloze kantoorgebouwen eerst voor België, later voor Europa. De stad werd onleefbaar en raakte ontvolkt.

 

Heel wat mensen verlieten de volgebouwde agglomeratie om zich in het groene Brabantse ommeland te vestigen.

 

Daar kwamen zij terecht in Nederlands gebied waar de autochtone bevolking echter inmiddels ( o.m. dank zij een betere scholarisatie) steeds minder geneigd was te bezwijken voor het Frans. Die mensen in Brabant voelden er inderdaad niets voor om (net als de Brusselaars een paar decennia eerder) thans op hun beurt gedenationaliseerd te worden.

 

 

 

ANNEXATIES     

 

Dit is meteen de reden waarom wij, Nederlandstaligen, van geen verdere uitbreiding van de “tweetalige” agglomeratie willen weten.

 

Het waren niet de Walen die één van hun steden lands de taalgrens (Luik, Bergen of Doornik) hebben afgestaan om er de tweetalige hoofdstad van het land van te maken.

 

Dit offer werd door de Nederlandse gemeenschap gebracht die daarvoor dan nog zeer slecht is beloond geworden vermits zij lange tijd in deze stad niet als volwaardige burgers werden erkend.

 

De verstandhouding tussen Frans- en Nederlandstaligen in dit land zou ten zeerste bevorderd worden wanneer men aan franstalige kant dit ten volle zou realiseren.

 

Zolang sommigen openlijk of verdoken blijven streven naar verdere annexaties zal het samenleven in dit land steeds meer in het gedrang gebracht worden en Brussel zal daarvan het eerste slachtoffer zijn.

 

Het is inderdaad duidelijk dat onze stad, gelet op de nood-toestand waarin zij zich bevindt, er niet enkel met eigen financiële middelen opnieuw kan bovenop geraken.

 

Uit recente sociaal-economische studies is gebleken dat Brussel alle belang heeft bij een goede verstandhouding met beide grote gewesten in dit land en het meest nog met het Nederlandse gewest.

 

Het is immers een nuchter geografisch feit dat Brussel niet in Wallonië gelegen is.

 

Wil dit laatste zeggen dat wij “revanchisten” zouden zijn die Brussel willen vervlaamsen. Allerminst ! 

 

Wij Nederlandstalige Brusselaars aanvaarden perfect dat, vermits Brussel de hoofdstad is van een tweetalig land , het Frans en het Nederlands hier op strikte voet van gelijkheid moeten staan.

 

De vraag rijst trouwens of dergelijke tweetaligheid nog voldoende is gelet op de steeds groeiende internationalisering van Brussel. Steeds sterker wordt de nood aan meertaligheid aangevoeld.

 

Werd Brussel sedert de 19de eeuw gekenmerkt door de dualiteit Nederlands-Frans dan is deze stad vandaag uitgegroeid tot een pluri-nationale grootstad.

 

Wij mogen inderdaad niet vergeten dat 50 % van de te Brussel levende kinderen van vreemde nationaliteit is. Dit stelt heel wat problemen in het onderwijs en vergt van de leerkrachten een specifieke aanpak.

 

Uit verscheidene buitenlandse voorbeelden is gebleken dat assimilatie zondermeer een gevaarlijke illusie is. Vandaar ook het belang van aangepast (zgn. bi-cultureel) onderwijs dat kinderen van vreemde herkomst in staat stelt naast hun moedertaal ook Frans en Nederlands te beheersen.

 

Op dit vlak moet dringend een echt beleid met de nodige middelen (ook financieel !) worden gevoerd. De tijd voor nog maar eens een wetenschappelijke studie van het probleem is voorbij. Het moment is gekomen om te handelen. Alleen al om die reden was het verder laten rotten van het Brusselse dossier verwerpelijk.

 

MINDERHEDEN

 

Gezien de grote moeilijkheden waarmee onze stad kampt (teloorgang in bepaalde economische sectoren, ontvolking, verval van buurten, vergrijzing van de bevolking, de massale aanwezigheid van migranten) spreekt het vanzelf dat Brussel alles te winnen heeft bij een constructief beleid ten bate van zijn bewoners.

 

Al te lang werd onze stad verwaarloosd doordat alle aandacht en energie ging naar het opeisen van privileges voor een welgestelde bourgeoisie die Brussel de rug had toegekeerd.

 

De problemen van Brussel moeten worden opgelost te Brussel zelf en niet in Dilbeek of Overijse. Het opgeven van dergelijk onzinnig expansionisme zal tussen Brussel en de rest van Brabant opnieuw die harmonische band doen groeien die er eeuwenlang heeft bestaan. Het was precies in die tijd dat onze stad Brussel haar grootste culturele bloei heeft gekend.

 

Is dit laatste een boodschap naar de Franstaligen toe dan mag niet worden vergeten dat mijn boek “Het andere Brussel. Een afrekening met vooroordelen” (Wommelgem 1988, tweede herwerkte druk) vooral voor de Vlamingen bestemd is.

 

In niet mis te verstane bewoordingen (die mij door sommigen trouwens kwalijk worden genomen) wil ik hen duidelijk maken dat hun agressieve houding ten aanzien van Brussel niets oplost.

 

Ook gaat het niet op ervan uit te gaan als zou Brussel nog steeds de Brabants-Nederlandse stad van weleer zou zijn gebleven.

 

Het Brussel van het einde der 20ste eeuw is immers een complexe megalopolis geworden waar naast Frans- en Nederlandstaligen ook heel wat andere nationaliteiten leven.

 

Wanneer de huidige demografische ontwikkeling zich verder doorzet (50 % van de te Brussel levende kinderen zijn van vreemde nationaliteit) is de tijd niet veraf dat ook de Franstaligen te Brussel geen meerderheid meer vormen.

 

Een uitmuntend kenner van het dossier Brussel , Guido Fonteyn , stelde dan ook onlangs zeer terecht dat Brussel een stad van minderheden aan het worden is.

 

In het licht van dit alles wordt elke drang naar hegemonie, van waar die ook moge komen , volslagen onzinnig.        

                         

 

Uit: De Brusselse Post, 15 oktober 1989, p. 11-12. 

 

Deze tekst verscheen ook in het Frans

(Zie:  Toudi, 1989, 3, p. 87-92 )  

 

Paul De Ridder Brussel&Firenze

Paul De Ridder Brussel&Firenze

Paul De Ridder Brussel&Firenze

Paul De Ridder Brussel&Firenze