Home » 1 BRUSSEL TAALGEBRUIK

1 BRUSSEL TAALGEBRUIK

DE MYTHE VAN DE VROEGE VERFRANSING

TAALGEBRUIK TE BRUSSEL VAN DE 12DE EEUW TOT 1794

 

 

 

 

1. Inleiding

 

In 1985 kregen de studenten van de eerste en tweede licentie Germaanse filologie van de U.I.A. te Antwerpen een gastcollege over ‘Het taalgebruik te Brussel vóór de Franse Bezetting (1792/94-1815).’ Vooraf hadden zij een vragenlijst ingevuld.[i] Die peilde naar hun kennis zowel omtrent het actuele als het historische ‘Brussel’. Er werd hen onder meer gevraagd hoeveel procent Franstaligen Brussel telde op het einde van de 18de eeuw. Welnu, in 1985 bestonden er niet minder dan twee publicaties met het antwoord op die concrete vraag: enerzijds de beroemde Verhandeling op d’Onacht der Moederlyke tael in de Nederlanden van advocaat J.B.C. Verlooy uit 1788 en anderzijds een studie van 1979 gepubliceerd door de historicus Hervé Hasquin.[2]

 

De Verhandeling op d’Onacht der Moederlyke Tael in de Nederlanden brengt het getuigenis van een tijdgenoot: Jan Baptist Verlooy (1746-1797). Hij kende de Brusselse situatie zeer goed. Verlooy, afkomstig uit het Kempense Houtvenne, woonde en werkte immers in de ‘Princelycke Hoof(d)stadt van ‘t Nederland’. Die aanhanger van de Verlichting was advocaat bij de Raad van Brabant.[3] Volgens Verlooy telde Brussel anno 1788 slechts 5 % Franstaligen.[4] Met andere woorden: zo’n 95 % van de Brusselaars sprak op de vooravond van de Franse Bezetting (1792/94-1815) Nederlands. Naast de beroemde Verhandeling op d’Onacht was er nog een veel recentere studie. In 1979 immers had Hasquin, de resultaten gepubliceerd van een onderzoek naar het taalgebruik in de Brusselse notarisakten. Daaruit meende de hoogleraar van de U.L.B. te Brussel te mogen afleiden dat rond 1785 bijna 90 % van de Brusselse bevolking het Nederlands als voertaal had.[5]

 

2. Brussel, bron van alle kwaad

 

In 1985 bleek uit de enquête bij de Antwerpse Germanisten dat zij ervan overtuigd waren dat rond 1790 de helft van de Brusselaars Frans sprak... Zij geloofden met andere woorden dat op het einde van de achttiende eeuw te Brussel tienmaal meer Franstaligen woonden dan wat in werkelijkheid het geval was.

 

Dit is beslist niet uitzonderlijk. Vooral Nederlandstaligen zijn voortdurend geneigd om het belang van de verfransing van Brussel tijdens het Ancien Régime te overschatten. Die verkeerde voorstelling vloeit in belangrijke mate voort uit het uiterst negatieve imago dat ‘Brussel’ in Vlaanderen ‘geniet’.[6] Vele Nederlandstaligen voelen zich in deze stad niet thuis. Voor hen is de hoofdstad het symbool bij uitstek van het door de francofone bourgeoisie gedomineerde België. Bovendien stellen zij het te Brussel gevestigde overheidsapparaat - niet alleen het Belgische maar ook het Vlaamse en zelfs het Europese - verantwoordelijk voor tal van maatregelen die het leven van de brave burger verzuren. ‘Brussel heeft weer eens iets uitgevonden!’ luidt het vaak. Daarbij gaat men natuurlijk nogal lichtvaardig voorbij aan het nuchtere feit dat al die beslissingen, voorschriften, wetten en reglementen vrijwel steeds het werk zijn van lieden die niets met ‘Brussel’ te maken hebben.

 

De afkeer van Brussel slaat niet enkel op de hedendaagse situatie maar wordt ook in het verleden geprojecteerd. Zij beïnvloedt ook het beeld dat bij veel Nederlandstaligen leeft over het taalgebruik te Brussel tijdens het Ancien Régime. Dit hoeft ook geen verwondering te wekken. De hoofdstad bleek tijdens de negentiende en de twin­tigste eeuw in be­langrijke mate ver­franst te zijn. Velen geloofden dan ook dat die situatie reeds eeuwenlang bestond. Men ziet zich in die overtuiging nog gesterkt doordat Brussel na 1531 was uitgegroeid tot de hoofdstad van de Nederlanden.[7] Hier verbleef van toen af de vorst of zijn vertegenwoordiger, de land­voogd of gouverneurs-gene­raal met bijbehorende hofhou­ding en cen­trale admi­nistratie. En in die kringen gaf het Frans wel degelijk de toon aan. Daarom ook zijn velen ervan overtuigd dat te Brus­sel van oudsher een grote groep fran­co­fonen woonde. Meteen begrijpt men waar de Antwerpse filologiestudenten hun hoog percentage Franstaligen gehaald hebben.

 

Daarbij komt nog dat de Vlaamse Beweging ‘Brussel’ van oudsher heeft beladen met alle zonden van Israël. Zij creëerde de mythe van het ‘boosaardig Brusse­l’. De Brusselaars werden steevast gebrandmerkt als ‘arrogante en pre­ten­tieu­ze heerschappen.’ Zij waren er altijd al op uit om de vreemde machthebbers zo veel mogelijk ter wille te zijn. Reeds tijdens het Bourgondische Bewind (1406-1482) hadden die ‘snoodaards’ hun moedertaal verraden. Zowel onder de Spaanse (1482-1713) als onder de Oosten­rijkse (1713-1794) Habsburgers hadden die ‘franskiljons’ het Vlaams veracht. Tijdens het Franse Bewind (179­4-1815) hadden de Brusselaars naar hartelust gecollaboreerd met de bezetter, ook wanneer die het gebruik van het Nederlands verbood. Toen Koning Willem I (1815-1830) van de Verenigde Nederlanden na 1815 het Nederlands in eer wou herstellen, stuitte hij dan ook op het hardnekkig verzet van de ‘francofiele Brusse­laars’. Die zouden dan ook vooraan gestaan hebben in de strijd tegen de Hol­landers. Na de Belgische onafhankelijkheid (1830) zette ‘Brusse­l’ de kroon op het werk. De hoofdstad drong toen het Frans op aan heel Vlaanderen.[8] Tot zover de traditionele ‘anti-Brussel-mythe’.

 

Die voorstelling werd uiteraard sterk getekend door de jarenlange strijd voor gelijkberechtiging. Het heeft de ‘Vlaamse Beweging’ inderdaad veel moeite gekost om te bereiken dat de Nederlandstaligen op hun eigen territo­rium in hun eigen taal bestuurd zouden worden door eigen demo­cra­tisch verkozen regeerders.[9] De Vlamingen dienden in het Belgische parlement een meerderheid te vinden voor de taalwetten die hen moesten beschermen. Een en ander vergde de steun, niet alleen van de Walen maar ook van de francofonen in Vlaanderen zelf. Bovendien gedroegen de Vlamingen zich lange tijd als superpatriotten. Zij waren fervente voorstanders van tweetaligheid in heel België. Dit stuitte echter op het hardnekkig verzet van de Walen. Die voelden immers voor ‘le Flamand’ een grote afkeer. Jules Destrée had het over ‘une répugnance instinctive et profonde.’[10] Omdat de Franstaligen zich steeds heftig gekant hebben tegen een tweetalig Wallo­nië, groeide België tijdens de twin­tigste eeuw uit tot een land bestaande uit twee éént­alige gebieden (Vlaan­de­ren en Wallonië) en een tweetalig territorium (Brus­sel).

 

Decennialang moest de Vlaamse Bewe­ging het opnemen tegen de Belgi­sche machthebbers. Die regeerden Vlaande­ren vanuit ‘Brussel’. Alle beslissingen kwamen van de regering die in de buurt van de Wetstraat verga­derde. In de kort­ste keren werd niet het Belgische regime maar wel het haast mytholo­gische ‘Brussel’ beladen met alle zonden van Israël. Tot welke bedenkelijke mentaliteit dit leidde, blijkt op pijnlijke wijze uit de volgende verzen van de Antwerpse dichter Karel van den Oever:[11]

 

Brussel, dat is de laffe daad ,

tegen mijn ziel, mijn hart, mijn kracht

Brussel, dat is de laffe smaad,

die mij versmacht.

Brussel, dat is de ploertige logen,

gefluisterd tegen mijn rustig brein

dat is gal op mij gespogen

dat is onzuiver, dat is onrein

Brussel, Brussel, o gij onrecht

tegen mijn levend mijn denkend gedacht,

prangende boei waaruit ik mij vrij vecht…

 

Soortgelijke stoere taal weerklinkt nog steeds. Zo verklaarde een Vlaams voorman in 1978 dat Brussel maar terug moest keren naar het moeras waaruit het eens gekropen was. 12]

 

De historicus die, steunend op systematisch archiefonderzoek, probeert na te gaan ‘wie es eigentlich gewesen ist,’ komt algauw tot de bevinding hoe onzinnig de bewering is dat Brussel al Frans was zijn tijdens de Bourgondische vijftiende eeuw. Jammer genoeg heeft men tot 1979 moeten wachten op een dergelijk onderzoek. De gevolgen laten zich raden. In 1887 publiceerde Jan Te Winkel zijn Ge­schie­denis van de Neder­landsche letter­kunde. Daarin schrijft de Nederlandse hoogleraar ‘dat de eigen­lij­ke sche­penbrieven van Brussel tot in de 16de eeuw steeds in het Fransch werden opgesteld.’[13] Die onterechte bewering werd prompt over­genomen door de Franse taal­kundi­ge F. Brunot in zijn Histoire de la langue fra­nçaise.[14] Welnu, het syste­ma­tisch onder­zoek van àlle Brus­selse ar­chiefdo­cumen­ten uit de periode vóór 1500 leverde welge­steld drie (!) Fransta­lige akten van de Brusselse schepe­nen op. Die drie oorkonden hebben dan nog stuk voor stuk betrekking op de hertogen van Bourgondië.[15] Al de overige akten van de Brusselse schepenen zijn hetzij in het Latijn hetzij in het Diets ge­steld...

 

Waar komt de algemeen gangbare opvatting dan vandaan? De mythe dat Brussel reeds van ouds­her verfranst was, gaat merkwaardig genoeg terug op een verkeerde interpre­tatie van de reeds vermelde Verhan­deling op d’Onacht der moederlyke tael in de Nederlanden (1788).

 

3. Verlooy verkeerd begrepen

 

De Verhandeling is reeds meer dan tweehonderd jaar oud. Toch blijft die publicatie van Verlooy nog steeds bijzonder waardevol. Zij verschaft ons immers zeer interessante infor­ma­tie over de taaltoestan­den in de Neder­landen. Het ware dan ook onrechtvaardig die Kempense advo­caat de steen te werpen. Het probleem ligt niet bij Ver­looy maar wel bij de manier waarop anderen tijdens de laat­ste decen­nia zijn werk hebben geïnter­pre­teerd. Blijk­baar hebben slechts weinig mensen dit werk effec­tief en volledig gelezen. De meeste kennen de Verhandeling slechts via samenvattin­gen in vulgariseren­de publi­ca­ties, in school­boeken of in naslagwer­ken. Vooral de passages over het geringe prestige van het ‘Neder-Duytsch’ en over het zogenaamde ‘franskiljonisme’ van de Brusse­laars werden voortdurend dik in de verf gezet[16].

 

Andere - minstens even belangrijke - uitspra­ken van Verlooy liet men bovendien onvermeld. Vele mensen geloven dat Verlooy een Verhan­deling op d’on­acht der moederly­ke tael te Brussel zou geschreven hebben. Toch gaat het volgens de titel wel dege­lijk over de Nederlan­den. De 18de-eeuwse auteur hekelde zelfs niet alleen de verwaarlozing van het Nederlands in de Zuidelijke Nederlanden maar laakt evenzeer de onverschilligheid waarmee de Noord-Nederlanders hun moedertaal bejegenen. Zuid- en Noord-Nederlanders moeten samen het ‘Neder-Duytsch’ verdedigen. De Brusselse advocaat formuleert zelfs een aantal concrete voorstellen om de volkstaal te herwaarderen.

 

Verlooy beperkt zich niet tot het louter beschrijven van de teloorgang van de moedertaal. Hij gaat ook op zoek naar de oorzaken van die kwaal. De schuld van al dit onheil ligt volgens hem bij de Bourgondische hertogen: ‘Wy moeten deze vernedering van onzen volksaerd en afneming onzer konsten niet wyten, als aen ‘t huys van Burgondiën. Te weten, als dit aen de souveryniteyt dezer landen gekomen is, heeft het hier een groot huysgezin nagesleept. Het stelde terstond het gants gouvernement en d’eerste raden in ’t Frans.’[17i

 

Niet alleen te Brussel maar in heel de Nederlanden werd het Frans de taal én van edelen én van raadsheren en ambtenaren van de centrale instellingen. Verlooy ver­volgt: ‘Dus al wat iet was, of iet wilde wezen, sprak het Frans. Door dit wulig en volkryk hof en zoo menige Fransche opper- en onderbediendens der raden die men moest uyt Vrankryk trekken, was deze stad [Brussel] overstroomt van Fransmans en nam zoo veel mogelyk hunne tael ook aen.’ De taal van het hof, de adel, de regering en de centrale instel­lingen werd dus ‘aenveerd en geëerd door de hoofdstadt.’ Maar ook in ‘het geheel land’ zorgde een ‘blinde ingenomendheyd’ ervoor dat het Frans opgehemeld werd[18). Een paar bladzijden verder gaat Verlooy nader in op het taalgebruik te Brussel. Hij stelt zeer duidelijk dat het Frans hier ingevoerd werd door Bourgondische vorsten: ‘Deze stad Brussel heeft het Neder­duytsch en het Frans. Het Neder­duyts is d’oude moederlyke tael. Het Frans is ons toege­bragt, gelyk gezeyd is, als het huys van Burgondiën aen de souveryni­teyt deze landen gekomen is, als het hier een geheel Frans hof, Fransche raden en een Frans gouvernement gevestigt heef­t.’[19]

 

Beide passages van de Verhandeling op d’onacht der moe­derlyke tael in de Nederlanden zijn zeer belangrijk. Verlooy onthult hier immers het fundamentele verfransingsmecha­nisme. Hij laat er niet de minste twijfel over bestaan: bui­ten­landse vor­sten waren verant­woorde­lijk voor het verval van de moedertaal en voor de verspreiding van het Frans in de Nederlanden. De rationele denker uit de acht­tiende eeuw stelt vast dat de verfransing uitging van ‘het huys van Bourgondië’ en van de andere vorsten die na hen over de Nederlanden regeerden: de Habsburgers. Met andere woorden: de verfransing komt dus niet van ‘Brus­sel’, zoals sommige flaminganten later zouden beweren. Wel integendeel! Meer dan de andere Nederlandse steden ‘onder­ging’ Brussel de sociale druk uitgeoefend door de vreemde vorsten, de hovelingen en de ambtenaren die zich in de Prinse­lij­ke Hoofd­stad hadden geves­tigd. Brussel is dus niet de ‘dader’ maar inte­gendeel het eerste en het ergste ‘slachtof­fer’.

 

4. De tol van de geschiedenis

 

Aangezien de verfransing het werk was van vreemde vorsten, lijkt het aangewezen de grote lijnen van de geschiedenis van de stad Brussel te schetsen en dit in het ruimere kader van het aloude hertogdom Brabant en van de Nederlanden. 20]

 

Een blik op de kaart van België volstaat om te zien dat het plurinationale Brussel vandaag een enclave vormt in het Nederlandse taalge­bied. Bovendien zijn alle historische plaatsnamen in deze stad Nederlandstalig: Coudenberg, Ruys­broeck, Warmoesbroeck, Nieuwland, Orsendael, Borgendael… Tenslotte dragen de begoede Brusselse families uit de Middeleeuwen stuk voor stuk namen als Serhugheskint, Rodenbeeck, Kint, Meert, Van Coudenberghe, Van Ruysbroeck, Clutinc… Een en ander spreekt boekdelen over het historisch Nederlands karakter van Brussel.

 

Toch is de huidige Belgische hoofdstad niet meer de Nederlandse stad die zij eeuwenlang geweest is. Vooral sedert het einde van de negentiende eeuw raakten de brede lagen van de stedelijke agglomeratie verfranst. Tijdens de laatste decennia heeft zich een nieuwe evolutie doorgezet. Kort na 1960 kende Brussel een sterke inwijking, niet alleen van gastarbeiders maar ook van buitenlandse diplomaten en zakenlui. De vestiging niet alleen van de Europese en internationale instellingen maar ook van buitenlandse bedrijven maakten van Brussel een plurinationale stad. Het Engels wordt er meer en meer de internationale communicatietaal bij uitstek.[21]

 

Kortom: deze stad heeft in de loop der tijden haar oorspronkelijk Neder­lands karak­ter verloren. De vraag rijst wanneer en onder invloed van welke factoren dit proces van taalverandering zich heeft doorgezet. Het antwoord daarop kan enkel door de geschiedenis worden gegeven. De huidige - overigens zeer complexe situatie - is immers het resultaat van een eeuwenlange evolutie.

 

4.1 De geboorte van Brussel

 

Aanvankelijk wees niets erop dat Brussel ooit zou uitgroeien tot de internatio­nale grootstad van vandaag. Tijdens de vroege Middeleeuwen ontwikkelde zich aan de oevers van de Zenne een bescheiden nederzetting. Die groeide in de loop der eeuwen stilaan uit tot een centrum voor handel en nijverheid. Al is over de oudste geschiedenis van Brussel weinig met zekerheid bekend toch zijn vrijwel alle historici ervan overtuigd dat deze nederzetting aan belang won op het einde van de 10de eeuw. In 977 immers verleende de Duitse keizer Otto II het hertogdom Neder-Lotharingen aan de Karolinger Karel van West-Frankenrijk. Die vestigde zich in 979 te Brussel. Hij liet een burcht bouwen op één der eilanden in de Zenne. Van hieruit moesten Karel en zijn opvol­gers de westgrenzen van het (Duitse) keizerrijk verdedigen tegen de aanvallen van de koningen van Frankrijk en van hun vazallen en handlangers, de graven van Vlaanderen.[22]

 

Brussel werd op het einde van de tiende eeuw voor de eerste maal een vorstelijke residentie. Niet voor lang echter. Vanaf 1005 vestigden de opvolgers van Karel van Neder-Lotha­ringen zich te Leuven. De eerste hertogen van Brabant vertoefden meestal in de Dijlestad. Leuven bleef trou­wens tot het einde van de achttiende eeuw aanspraak maken op de titel van ‘Eerste stad van Brabant.’

 

4.2 Brabant

 

Het hertogdom Brabant telde de vier ‘hoofdsteden’ Leuven, Brussel, Antwerpen en ’s-Hertogenbosch en een aantal kleinere centra zoals Lier, Tienen, Zoutleeuw en Nijvel. Het overgrote deel van het hertogdom Brabant lag ten Noorden van de Germaans-Romaanse taalgrens en behoorde dus tot het Nederlandse taalgebied. Enkel het uiter­ste zuiden, het agrarische ‘Roman Pays de Brabant’ met de rijksabdij van Nijvel, maakte deel uit van het Franse taal­gebied.

 

Brabant was een leen van de Duitse kei­zer. Het hertogdom genoot een ruime autonomie. De Braban­tse landsheren dachten er echter allerminst aan om zich van het Rijk los te maken. Integendeel! De Brabantse hertogen waren er bijzonder trots op Rijks­vor­sten te zijn.[23] Zij wierpen zich op als de behoeders van de Rijksstad Aken, begraafplaats van Karel de Grote, en streefden ernaar hun aanzien in het Duitse Rijk te vergroten. De slag van Woeringen (5 juni 1288) - die niet in Brabant werd uitgevochten maar in de buurt van Keulen - vormde een schitterend hoogtepunt van die politiek.[24] Ook commercieel en cultureel[25] bestonden er nauwe banden tussen Brabant en het Duitse Rijk.

 

Meteen blijkt duidelijk hoezeer de geschiedenis van Brabant fundamenteel ver­schilt van die van Vlaanderen. Dit graaf­schap (met steden als Brugge, Gent, Ieper, Kortrijk en Rijsel) omvatte naast een Diets gedeelte ook een vrij groot gebied dat van oudsher Franstalig was. Bovendien hing Vlaanderen - op de streek rond Aalst na - af van de Franse koning. In tegenstelling tot de Brabanders die een zeer ruime autono­mie genoten, moesten de Vlaamse graven terdege rekening houden met hun Franse suzerein. Die vorst was er immers op uit zijn gezag in Vlaan­deren te verstevigen, niet alleen politiek maar ook mili­tair. Dit leidde tot conflicten met de Vlaamse steden waarvan de slag van de Gulden Sporen (11 juli 1302) onder invloed van de 19de-eeuwse romantiek haast legendarisch werd. Sommige historici zijn ervan overtuigd dat die zege van de Vlaamse ambachtslieden en gemeentenaren verhinderd heeft dat Vlaanderen eenvoudigweg werd ingelijfd bij Frankrijk.[26i]

 

Desondanks stond Vlaanderen eeuwenlang, niet alleen politiek maar ook cultureel en taalkundig onder Franse invloed. In steden als Brugge, Gent, Ieper en Kortrijk die zonder enige twijfel tot het Neder­landse taalgebied behoorden en waar het volk Diets sprak, woonde een boven­laag (de zogenaamde Leliaerts) die zich courant van het Frans be­diende.[27] Het Frans was trouwens tijdens de Middeleeuwen de taal van het hof en van de adel en dit tot ver buiten Frankrijk. Dit gold onder meer voor Engeland, een land dat na de slag bij Hastings (1066) veroverd was door de Normandiërs.[28] Ook in Italië liet de Franse invloed zich gelden. De Florentijnse dichter Dante Alighieri hekelde de Italianen die hun moedertaal verachtten en dweepten met het Frans.[29]

 

Zelfs in het hertogdom Brabant was het Frans verspreid bij sommige adellijke families.[30] In tegenstelling echter tot het graafschap Vlaanderen bleef het Nederlands er eeuwenlang de bestuurstaal bij uitstek. Godefroid Kurth schreef dan ook dat de Brabanders hardnekkig trouw bleven aan het Diets. Volgens deze leermeester van Henri Pirenne ontsnapte Brabant aan de invloed van de Franse cultuur: ‘Le Brabant était la seule de nos provinces où l’on restât fidèle, avec une obstination patriotique à la langue maternelle, qui était le flamand lorsqu’elles [de steden Brussel, Leuven, Antwerpen, ’s-Hertogenbosch] renoncèrent à la langue savante qui était le latin, c’est en flamand qu’elles délibérèrent sur les intérêts publics. Il y a dans ce simple fait un indice des plus significatifs: le Brabant échappait au rayonnement de la culture française, il vivait de sa vie propre, il formait un royaume en miniature...’[31]

 

4.3 De opkomst van Brussel

 

Brussel ontwikkelde zich in Brabant. Beide zijn reeds eeuwenlang onlosmakelijk met mekaar verbonden. De toekomstige Europese hoofdstad lag tijdens de Middeleeuwen op een kruispunt van handelswegen van Oost naar West en van Noord naar Zuid. Vooral de route die Engeland (Londen) via Vlaanderen (Brugge, Gent) met het Rijnland (Keu­len) verbond, was zeer belangrijk. Zij droeg er mede toe bij dat de bescheiden nederzetting van weleer zich ontwikkelde tot een heuse stad met een eerste omwalling. In 1229 verleende hertog Hendrik I (1190-1235) aan de Brusselaars een keure. Die garandeerde de burgers een aantal vrijheden. Inmiddels groeide deze Brabantse stad uit tot een vermaard centrum van de lakennijverheid.

 

Vanaf de regering van de legendarische hertog Jan I (1267-1294) werd Brussel de gebruikelijke verblijfplaats van de hertogen van Brabant.[32] Toch zou Leuven nog lange tijd een geduchte concurrent blijven. Jan I verwierf groot aanzien in heel Europa. In 1288 had hij immers met de steun van de burgers van Keulen te Woeringen een coali­tie verpletterd bestaande uit de aartsbisschop van Keulen en de graven van Gelre en Luxemburg. Jan I verleende de Brusse­laars ook verschillende privileges en droeg bij tot de econo­mische expansie van de stad. Omdat Brussel zich steeds verder uit­breidde, werd tussen 1357 en 1379 een tweede omwalling gebouwd.

 

De stad aan de Zenne nam ook op cultureel gebied een hoge vlucht. Zij groeide uit tot het belangrijkste centrum van de Bra­bantse gotiek. Monumentale bouwwerken als de kapittelkerk van Sint-Michiel en Sint-Goedele (1225-1490) en het stadhuis (1401-1455) leggen vandaag nog steeds getuigenis af van het vakmanschap van de Brusselse metselaars en ‘steenbickeleren’. De grootste mysticus van de Nederlanden, Jan van Ruusbroec (1293-1381), was jarenlang een eenvoudig priester in Sint-Goedele. Hij schreef zijn mystieke traktaten in ‘onvermingheden Brusselschen Dietsche’ (zie de bijdrage van Janssens). Zij werden in het Latijn vertaald en raakten verspreid over heel Europa.

 

Ook op politiek gebied verwierf Brussel een steeds groter aanzien. De Brabantse steden - vooral Brussel, Leuven, Antwerpen, ’s-Hertogenbosch, Lier, Tienen, Zoutleeuw en Nijvel - pleegden regelmatig overleg met mekaar. Zo stonden zij sterker om hun belangen te verdedigen bij de Brabantse hertogen, vooral wanneer die genoodzaakt waren om een beroep te doen op de financiële steun van hun onderdanen. Dergelijke ‘beden’ werden slechts toegestaan in ruil voor concrete toezeggingen. Die stonden opgetekend in belangrijke landprivileges als de testamenten van Hendrik II (1248) en Hendrik III (1261), het Charter van Kortenberg (1312), de Waalse char­ters (1314) en de ‘Blijde Inkomst’ (1356). De macht van de vorst werd steeds nauwer omschreven. Net als in Engeland, bakermat van de moderne democratie, ontwikkelde zich in Brabant een ‘con­sti­tutioneel sys­teem’.[33] Het ‘privilegie van den Ruwaert’ (4 mei 1421) en het ‘Nieuw regiment’ (12 mei 1422) vormen de bekroning van die evolutie. In 1422 had het hertog­dom Brabant een bestuursvorm verworven die begon te lijken op een parlemen­tair regime met ministeriële verant­woordelijk­heid tegenover een landsvertegenwoordiging. De Bra­ban­ders verwierven zelfs het recht om een vorst die zich niet aan de afspraken hield, af te zetten... Alles wees erop dat Brabant zich tot een onafhankelijke republiek zou ontwikkelen, vergelijkbaar met de Noord-Italiaanse stadstaten. Dat is echter niet gebeurd.

 

Na de dood van hertogin Johanna († 1406) raakte Brabant stilaan in handen van een buitenlandse dynastie: de hertogen van Bourgondië. In tegenstelling tot de Brabantse hertogen waren die Franse vorsten uit het huis van Valois minder afhankelijk van de financiële steun van hun onderdanen. Ze bezaten immers niet alleen uitgestrekte goederen in Bourgondië maar heersten ook over een hele reeks andere vorstendommen als Vlaanderen, Holland, Zeeland, Friesland, Namen, Henegouwen, Luxemburg. De Brabantse steden beschikten dan ook niet meer over dezelfde macht als vroeger onder de autochtone vorsten uit het huis van Leuven. Hertog Filips de Goede (1430-1467) en zijn opvolgers lieten geen gelegenheid onbenut om de vorstelijke macht te herstellen. De ‘Grote Hertog van het Westen’ verbleef meermaals te Brussel. De plaatselijke wethouders waren erop uit om de Bourgondiër en zijn rijke hofhouding zoveel mogelijk binnen hun stadsmuren te houden.[34] Zij voerden een heuse prestigepolitiek. Tussen 1452 en 1460 lieten zij op de Coudenberg een ‘groote saele’ bouwen.[35] In 1449 stelde het stadsbestuur Jan van Ruysbroeck aan tot ‘meester van den steenwerke van den torre van der stad raithuse op de merct.’[36] De Brusselse ondernemer bekroonde de stadhuistoren met een slanke spits. Sedert 1435 hadden de Brusselse wethouders een eigen stadsschilder in dienst: Roger de la Pasture. Die man was afkomstig uit de Franse stad Doornik. Te Brussel vertaalde hij zijn naam tot Rogier vander Weyden (ca . 1400-1464).[37]

 

Na de dood van Maria van Bourgondië (1482) kwamen de Nederlanden - grotendeels samenvallend met de huidige Europe­se staten België, Nederland en Luxemburg - onder het gezag van de Habsburgers. Tijdens de regering van Karel V (1515-1555) werd Brussel het centrum van een uitgestrekt rijk ‘waar de zon nooit onder ging’ (Duitsland, Oostenrijk, Spanje, Italië, Spanje en een aantal overzeese gebieden). Vanaf 1531 waren de hofhouding en de centrale administratie te Brussel gevestigd. De kunsten kenden hier een grote ontplooiing. Vooral de houtsnij­ders en tapijtwevers (‘leeghwerckers’) bereikten een zeer hoog artistiek peil. Brusselse wandtapijten en houten retabels (altaarstukken) sieren vandaag nog steeds talrijke musea, kerken en paleizen in binnen- en buitenland. Ook de wetenschappen namen een hoge vlucht. De Brusselaar Andreas Vesalius († 1564) geldt als de grondlegger van de moderne anatomie.[38]

 

4.3 Reformatie en Reconquista

 

Begin zestiende eeuw drong de reformatie vanuit Duitsland en Zwitserland de Nederlanden binnen. Ook te Brussel woonden vele aanhangers van de hervorming. Zowel Keizer Karel V (1515-1555) en meer nog zijn zoon Filips II (1555-1598) traden hardhandig op tegen de ‘protestanten’.[39] De vrijheidslievende inwoners van de Nederlanden stonden afkerig tegenover het religieus fana­tisme van de in Spanje opge­voede Filips II. Zware belastingen en het verdringen van de autochtone adel door Spanjaarden versterkten het ongenoegen.

 

Uiteindelijk brak een opstand uit tegen de Spaanse kroon. De Nederlanders - zelfs die van buiten Brabant - beriepen zich uitdrukkelijk op de Brabantse privileges. Die bepaalden immers dat onderdanen niet moeten gehoorzamen aan een vorst die zich niet aan de afspraken houdt. De Spaan­se Habsburgers werden verdreven en Filips II werd afgezet (‘Placcaet van Verlatinghe’).[40] Alexander Farnese slaagde er echter in de Zuidelijke Nederlanden - grotendeels samenvallend met het huidi­ge België en Luxemburg - te herove­ren (1585). De Noordelijke Nederlanden (grotendeels samenvallend met de huidige staat Neder­land) konden de Spanjaarden echter niet meer onderwerpen. De onafhankelijkheid van de Noordelijke Nederlanden werd officieel erkend bij het Verdrag van Westfalen (1648). Het Noorden, gedomineerd door Holland, groeide uit tot een protes­tantse handelsrepubliek. De bloei van dit gebied was in be­langrijke mate het werk van de calvi­nisten die Brabant en Vlaanderen ontvlucht waren.

 

Na 1585 stonden de Zuidelijke Nederlanden opnieuw onder Spaans bestuur. De aartshertogen Albrecht en Isabella (1598-1633) roeiden de laatste sporen van de



hervorming uit.[i] De katholieke contra-reformatie triomfeerde, mede dank zij de steun van de jezuiëtenorde. Te Brussel en elders verrezen zwierige barokkerken. Na de dood van Isabella (1633) werden de Zuidelijke Nederlanden gewoonweg vanuit Madrid bestuurd via landvoogden en gouverneurs-generaal. In de centrale administratie was Frans en soms ook Spaans de gebruikelijke voertaal.

 

Tijdens de zeventiende eeuw hadden de Zuidelijke Nederlanden erg te lijden onder de imperialistische politiek van Frankrijk. Dit land was er van oudsher op uit op de Europese grootmacht bij uitstek te worden. Het streefde naar gebiedsuitbrei­ding en kwam dan ook in botsing met zijn buren: in het Noorden (de Neder­lan­den), in het Oosten (El­zas-Lotharin­gen) en in het Zuiden (Spanje en Italië). De stad Brussel betaalde een zeer zware tol aan het oorlogs­geweld. In augus­tus 1695 liet de Franse koning Lodewijk XIV Brussel beschieten. Tijdens dit bombardement (zie de bijdrage van Janssens), dat Napoleon Bonaparte later zou bestempelen als ‘aussi barbare qu’inutile’, werd de buurt van de Grote Markt in de as gelegd. Ook talrijke kunstwerken en grote delen van het stadsarchief werden vernield.

 

4.4 Verlichting

 

Vanaf 1713 kwamen de Zuidelij­ke Neder­landen onder de Oosten­rijkse tak van de Habs­burgse dynas­tie.[ii] In 1745 viel Frankrijk andermaal de Zuidelijke Nederlanden binnen. Tussen 1745-1749 werd het gebied vanuit Parijs bestuurd. In 1749 keerden de Oostenrijkers terug. Ondanks alle oorlogsgeweld brachten de Brussel­se kunst­ambach­ten nog heel wat kwali­teits­werk voort: wandta­pijten, kant­werk, porse­lein, enz... Ook de Brusselse koetsen waren tot ver buiten de Zennestad sterk gegeerd. Te Brussel, net als elders in de Nederlanden, genoot het Frans groot aanzien. De kloof tussen de (francofone) bovenlaag en de gewone burgers werd steeds groter. Door de verfransing bleven brede lagen van de bevolking verstoken van degelijk onderricht en scholing.

 

Rationele intellectuelen zoals Verlooy legden zich niet neer bij die nefaste ontwikkeling. Zij streefden naar het afschaffen van de verouderde privileges van de ‘elite’ en naar een ‘democratisering’ van de samenleving. Dit laatste vergde een herwaardering van het Nederlands. Verlooy had ingezien dat mensen pas ten volle aan het bestuur en aan de samenleving konden participeren indien zij dat probleemloos in hun eigen taal konden doen. Met andere woorden: tussen de herwaardering van de eigen taal en cultuur - bij uitstek nationalistische doelstellingen - en de democratisering van de maatschappij bestond volgens hem een onverbreekbare band. Het een was niet mogelijk zonder het andere. Aanvankelijk rekende Verlooy - en velen met hem - op de steun van een verlichte en ‘aufgeklärte’ vorst als Jozef II. Op 4 augustus 1785 richtte Verlooy zich dan ook rechtstreeks tot de Oostenrijkse keizer. Hij bepleitte bij de Habsburger de herwaardering van het Nederlands als de conditio sine qua non om de rationele hervormingen van de keizer te doen slagen.[iii] Drie jaar later publiceerde Verlooy zijn denkbeelden in zijn beroemde Verhandeling.[iv]

 

In 1793-1794 veroverden de sansculotten Brussel en de rest van de Nederlan­den. Het gebied werd ingelijfd bij de Franse Republiek. De instellin­gen van het Ancien Régime werden afgeschaft. In de plaats kwam een nieuw be­stuurs­systeem. Voor het Nederlands was er geen plaats meer. Tussen 1793 en 1815 voerden de Fransen in heel de Zuidelijke Nederlanden een syste­ma­tische ver­fran­singspo­li­tiek.[v]

 

De slag van Waterloo (1815) maakte een einde aan de Franse bezetting. De geallieerden - Pruisen, Engeland, Rusland en Oostenrijk - besloten de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden voor het eerst sinds 1585 te herenigen. Het in 1815 opgerichte Koninkrijk der Nederlanden moest uitgroeien tot een sterke bufferstaat tegen het imperialistische Frankrijk.[vi] Aan het hoofd van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden stond Willem I. Deze vorst gaf blijk van een grote visie maar niet altijd van evenveel diplomatie Hij streefde ernaar de Zuidelijke Nederlanden op het zelfde niveau brengen als de Noordelijke. Daarom besteedde hij bijzondere aandacht aan het onderwijs. De taal van het volk - het Nederlands - moest opnieuw de officiële taal worden. Dit zou uiteraard het einde betekenen van de privileges van de francofone bovenlaag.

 

Koning Willem en zijn raadgevers waren zich bewust van het Nederlands karakter van dit gebied. Kranten als de Gazette des Pays-Bas[vii] herinnerden eraan dat het Nederlands in Brussel eeuwenlang de voertaal was geweest. Blijkbaar was Verlooys verhandeling, gedrukt in 1788 - amper 27 jaar vóór Willem I zijn intrede deed in de Zuidelijke Nederlanden - niet in de vergetelheid geraakt. Wel integendeel! In 1829 bracht de Nederlandse hoogleraar Schrant een heruitgave onder de titel Verhandeling op het niet achten der Moederlyke Tael in de Nederlanden, door een’ Brusselsch advocaat.[viii] De oprichting van het onafhankelijke België (1830) maakte echter een brutaal einde aan de politiek tot herwaardering van het Nederlands.

 

4.5 De Belgische taalideologie

 

Na 1830 werden de nieuwe Belgische machthebbers geconfronteerd met de vraag welke taal gebruikt zou worden voor het bestuur in de nieuwe staat. J.F. Willems wees minister Van de Weyer op het historisch Nederlands karakter van Brussel. Zelfs onder de dreiging van bajonetten van de sansculotten bleven de Brusselaars hun moedertaal verdedigen.[ix] In 1859 publiceerde C. Serrure een studie Over het gebruik onzer moedertael te Brussel in vroegere dagen.[x] Steunend op eigen archiefonderzoek kwam hij tot de vaststelling dat Brussel eeuwenlang een Nederlandse stad was geweest. Na Serrure lijkt de belangstelling voor dit onderwerp verminderd te zijn. Lange tijd verschenen er geen studies meer over de taaltoestanden in de hoofdstad van de Nederlanden.

 

Dit hoeft geen verwondering te wekken. In het nieuwe België gaf het Frans de toon aan. De suprematie van die taal werd niet gecontesteerd, zelfs niet door de stilaan opkomende Vlaamse Beweging. Naarmate die stroming echter aan kracht won, zagen de franstaligen hun privileges bedreigd. Daardoor groeide stilaan de belangstelling voor de taaltoestanden in de voormalige Nederlanden. Zowel een histo­ricus als Godefroid Kurth als de advocaat Jacques des Cressonnières han­delden uitvoerig over ‘la question des langu­es’.[xi] Henri Pirenne besteed­de in zijn Histoire de Belgique eveneens aandacht aan dit onderwerp.[xii]

 

Het betoog van deze Franstali­gen was echter sterk door­drongen van de Belgi­sche taalideologie. In feite poogden zij een legiti­matie te verschaffen aan de gepri­vi­li­gieerde posi­tie van de franco­fone bour­geoisie in Neder­lands­ta­lig België. Het valt trouwens op dat al die publi­ca­ties ver­schenen rond 1900. Pre­cies rond die tijd begon zich in België een beslis­sende kentering af te teke­nen. De Nederlandstaligen legden zich niet langer neer bij de domine­ren­de positie van het Frans in heel België.[xiii]

 

In grote lijnen komt de stelling van Kurth, Des Cressonnières en Piren­ne hierop neer. Onder het Ancien Régime bleven de mensen gespaard van ‘kleinzielige taal­twisten’. In de Zuide­lijke Nederlan­den heerste immers van oudsher een zo ruim moge­lij­ke ‘taalvrij­heid’. De Franse taal kon zich dan ook ongehinderd ont­plooien temeer daar de gewone man een van de talloze Vlaamse dialecten sprak. Het Frans was dan ook sedert eeuwen de taal bij uitstek niet alleen in het bestuur maar ook in het cultuur- en gees­tes­leven. Niet omdat het Frans de taal van de politieke macht­heb­bers was. Wel integendeel! Het Frans had de bovenhand gehaald enkel en alleen omwille van intrin­sieke kwaliteiten. Het Frans was immers, aldus nog steeds de verdedigers van de Belgische taalideologie, een univer­sele en supe­rieure taal. Het ‘Vlaams’ daar­entegen was een allegaartje van scha­bouwe­lijke dia­lecten. Het was dan ook lo­gisch dat die supe­rieure taal de inferieu­re ver­drongen heeft. Kortom er voltrok zich een volko­men natuur­lijk proces. Dit proces mocht in geen geval ver­stoord worden. Er moest daarom een zo ruim mogelijke ‘taal­vrijheid’ heersen. Taal­wet­ten waren dan ook verwerpelijk. Tot zover de redenering van de francofone Belgische bourgeoisie. Die vertoont nogal wat racistische trekjes. Een paar jaar later zouden sommige auteurs nog een stap verder zetten en onomwonden verklaren dat de ondergeschikte positie van de Vlamingen het fatale gevolg was van… ‘inferieure raskwaliteiten’.[xiv]

 

5. Studies over het taalgebruik te Brussel

 

Kurth, Pirenne en Des Cressonnières handelden steeds over de taalsitu­a­tie in de Zuide­lijke Neder­landen in hun geheel. De histo­ri­sche evolu­tie van het taalge­bruik te Brussel komt in hun publica­ties slechts spora­disch aan bod.

 

Vóór 1979 bestonden er slech­ts een hand­vol publicaties die speci­fiek toegespitst waren op de taaltoe­standen te Brussel vóór 1794. Zij waren vooral het werk van filologen. Reeds C. Serrure had het taalgebruik te Brus­sel bestudeerd. Hij baseerde zich daar­voor op archief­stuk­ken. Later hebben ook Desiderius Stracke, Maurits Sabbe en Karel Hemme­rechts dit onderwerp behandeld.[xv] Hun aandacht ging echter niet naar het taalgebruik in de ambtelijke stukken maar naar het literaire leven in de hoofdstad.

 

Maurits Sabbe schreef in 1934: ‘Wat opvalt bij het nagaan van het letterkundig leven te Brussel in den loop der eeuwen, is enerzijds de ononderbroken continuïteit van de Nederlandsche literaire bedrijvigheid bij de geboren Brusselaars sedert de 13e tot in de 19e eeuw, en anderzijds het bijna volslagen gemis aan geboren Brusselaars die de Fransche letteren beoefenden vóór de 19e eeuw. Marnix (van Sint-Aldegonde) is om zoo te zeggen de eenige Brusselaar, die in vroeger tijden een plaats van de Fransche literatuur inneemt, en dan nog is zijn Nederlandsch literair werk even belangrijk. Bovendien was hij uit Waalsche ouders geboren.’[xvi] Brussel had destijds een hele reeks meesterwerken aan de Nederlandse letterkunde geschonken. Tijdens de zeven­tiende en achttiende eeuw echter was het literaire leven in verval geraakt. Sabbe baseerde zich vooral op de getui­ge­nissen van tijd­geno­ten. De toenmalige schrijvers, dichters en rederijkers hadden immers hun beklag gedaan over het gerin­ge prestige van het ‘Neder-Duytsch’. Het artikel van Sabbe heeft een aantal mensen bevestigd in hun nogal eenzijdige interpretatie van Verlooys Verhandeling. Velen raakten er rotsvast van overtuigd dat reeds tijdens de zeventiende eeuw de rol van het Nederlands te Brussel groten­deels uitge­speeld was. Wie echter de moeite doet een onderzoek in te stellen naar het taalgebruik in de ambtelijke stukken, komt zeer snel tot een heel andere conclusie.

 

Bovendien is het onverantwoord het taalgebruik van een stad te beoordelen aan de hand van de kwaliteit van het literaire leven aldaar. De belangrijkste bron van informatie voor een studie van de taaltoestanden zijn immers niet de literaire teksten maar integendeel de ambtelijke stukken. Zij werden immers door en voor de burgers opgesteld. Reeds Serrure had zeer goed ingezien dat ar­chief­stukken de belangrijkste bron van informatie vormen voor een onder­zoek naar het taalgebruik van een bevolking. Hij kreeg echter geen navolgers. Pas in 1951 verscheen er opnieuw een studie gebaseerd op ambtelijke bescheiden ditmaal van de hand van A. Cosemans.[xvii] Die historicus heeft nooit doelbewust en vol­gens een voorop­gezet plan het taalge­bruik in een bepaald ar­chief­fonds onder­zocht. Hij werkte op het Alge­meen Rijks­ar­chief. Bij zijn inven­tari­seringswerkzaamheden noteerde hij een aantal gege­vens inzake de taaltoestanden in de hoofdstad van de Zuidelijke Nederlanden. Cosemans kwam vrij spoedig tot de bevinding dat Brus­sel destijds heel wat minder verfranst was dan men tot dan toe - zonder archiefonderzoek - had verkondigd. De vernieuwende resultaten van dit onderzoek bleven evenwel beperkt tot een kleine kring van specialisten. In de scholen en in vulgariserende publicaties luidde het inmid­dels nog altijd dat Brussel al Frans was onder de Bourgondiërs (1406-1482).

 

5.1 Het klopt niet!

 

Ook ik kreeg in 1968 die boodschap nog te horen op het Brusselse Sint-Jan-Berchmanscolle­ge. Later verrichtte ik in het kader van een licentiaats- en doctoraatsproefschrift over hertog Jan I (1267-1294) en Jan II van Brabant (1294-1312) opzoekingen niet alleen in de archieven van de centrale Brabantse instellingen maar ook in die van kerken en kloosters en die van de Brabantse steden. Zo kwamen ook de privilegie­boeken (‘cartu­laria’) van de stad Brussel aan de beurt. Het gaat hier om meer dan 20 handschriften uit de veer­tiende en de vijftiende eeuw. Daarin hadden de klerken van de Brusselse wethou­ders de meest uiteenlopende akten gekopieerd die op enigerlei wijze van belang waren bij het bestuur van de stad. Die teksten gaan niet alleen uit van de schepenen, rent­meesters maar ook van de Bra­bantse en Bourgon­di­sche hertogen. Zelfs oorkonden van buiten­landse vorsten zoals de aartsbisschoppen van Keulen, de graven van Vlaanderen, de graven van Hene­gouwen en de prins-bisschoppen van Luik kregen een plaats in deze privilegieboeken.

 

Rekening houdend met wat mij tijdens de geschiedenislessen was geleerd, verwachtte ik in deze Brusselse ‘cartularia’ en ook in de archieven van de laken-gilde, de ambachten, de kerken, de kloosters, de godshui­zen en hospi­ta­len massa’s Franstalige stukken te vinden. Dit bleek echter hoegenaamd niet het geval te zijn. Zelfs tijdens de Bourgondische periode waren vrijwel alle stukken in het Latijn of in het Middelneder­lands gesteld. In de Brus­selse archieven werd slechts een uiterst beperkt aantal Fransta­lige stukken gevonden. Er rees dan ook twijfel aangaande de juistheid van de algemeen gangbare opvatting als zou Brussel reeds Frans geweest zijn onder de Bourgon­diërs. Voorlopig kon dit niet nader onderzocht worden. Pas na het voltooien van mijn doctoraal proefschrift in 1977 startte ik met een systematische controle van het taalgebruik in de Brusselse archieffondsen. In een eerste fase (1977-1978) spitste de studie zich toe op de Brusselse documenten uit de periode vóór 1500.

 

Dit onderzoek was voltooid toen zich een nieuw feit voordeed. Op het einde van de jaren zeventig kregen de Brusselse taaltoestanden plots bijzondere aandacht in een welbepaalde francofone hoek. In 1979, naar aanleiding van ‘Duizend jaar Brussel’, organiseerde FDF-staatssecretaris François Persoons een tentoonstelling onder de titel Bruxelles, mille ans de rayonnement de la culture française.[xviii] Het evenement ging door in het Paleis der Academiën. De expositie en de bijbehorende publicatie poogden te ‘bewijzen’ dat er in Brussel van oudsher een Franstalige gemeenschap zou hebben geleefd. Dezelfde stelling vindt men ook terug in Leon Van den Bruwaenes Le Français à Bruxelles aux siècles passés, gepubliceerd in 1980.[xix]

 

Beide publicaties steunen allerminst op systematisch onderzoek in de Brusselse archieven. Zij beperken zich tot het opsommen van een aantal gegevens vermeld in gemakkelijk toegankelijke publicaties. Merkwaardig is echter dat in de totaliteit van de feiten enkel en alleen datgene geselecteerd wordt wat zou moeten wijzen op Franstalige aanwezigheid te Brussel in vroegere eeuwen. Van den Bruwaene vormt hiervan het meest flagrante voorbeeld. Die auteur gaat ijverig op zoek gaat naar een aantal ‘indices’ die zijn stelling zouden moeten ondersteunen.[xx] Hij beroept zich op de volgende aanduidingen. Te Brussel hebben tijdens het Ancien Régime een aantal vorsten, hovelingen en edelen vertoefd. In die kringen was het Frans de voertaal. Bovendien bestonden er relaties tussen de Zennestad en haar ommeland. Dit omvatte ook een gebied dat van oudsher Franstalig was, namelijk het ‘Roman Pays de Brabant.’ Welnu, tussen Nijvel en Brussel zou er eeuwenlang een zeer intense band zijn geweest.

 

Van den Bruwaene hanteert nog andere argumenten. Een aantal handelaars - onder meer afkomstig uit Waalse gewesten - brachten in Brussel hun waren aan de man. Arme lieden uit het Franse taalgebied kwamen hier om aalmoezen bedelen. In sommige Brusselse kerken werd niet alleen in de volkstaal maar ook in het Frans gepreekt. Een paar Franstalige kloostergemeenschappen hadden zich te Brussel gevestigd. Er bestonden een aantal Waalse scholen. Sommige Brusselaars studeerden aan Franse universiteiten. Er verscheen te Brussel een Franstalige krant, Franstalige stadsbeschrijvingen en zelfs stadsplannen en gravures met aanduidingen in het Frans. Ten slotte wijst hij erop dat sommige Brusselse schrijvers en dichters hun beklag deden over het verval van het ‘Nederduytsch’ en over het misprijzen voor de volkstaal en dat zij zich verzetten tegen uitingen van ‘fran­cofilie’ en ‘fran­comanie’.

 

Uit al die aanduidingen besluit Van den Bruwaene dat er te Brussel van oudsher een grote groep Franstaligen woonde. Dit zou reeds het geval zijn geweest op het einde van de tiende eeuw... In de latere eeuwen zou het Frans - de cultuurtaal in heel Europa - steeds sterker opgerukt zijn in Brussel. Van den Bruwaene aarzelt zelfs niet om in zijn boek het hoofdstuk over de taaltoestanden te Brussel in de 17de eeuw te voorzien van de titel: ‘Vers la prédominance du français au XVIIe siècle.’[xxi]

 

Wie echter al die aangevoerde ‘indices’ aan een kritisch onderzoek onderwerpt, is allerminst onder de indruk van hun gewicht. Alle aangehaalde fenomenen gelden tijdens het Ancien Régime immers voor een groot aantal steden in Europa.[xxii] Op talloze plaatsen vond men Franstalige vorsten, hovelingen, edelen en rijke burgers. Vaak waren er koop- en ambachtslui, kunstenaars en schrijvers bedrijvig die uit Frankrijk afkomstig waren. Tot in Italië, Pruisen, Oostenrijk, Rusland verschenen er Franstalige kranten. Ook te Brussel was dit het geval. Van den Bruwaene vermeldt echter niet dat die publicatie een initiatief was van de centrale regering. Bovendien was die krant niet zozeer bestemd voor de bevolking van de hoofdstad. Zij had eerst en vooral als bedoeling het beleid van de Zuidelijke Nederlanden te verdedigen... in het buitenland. Nog een ander feit verdient de aandacht. Voor het maken van die krant deed de regering een beroep op redacteurs uit Frankrijk. Te Brussel achtte men blijkbaar niemand in staat die taak op zich te nemen.

 

Ook de andere ‘indices’ van Van den Bruwaene zijn allerminst overtuigend. Zo werd er destijds in alle centra van enig belang in het Frans gepredikt. Op talloze plaatsen in Europa verdienden Franse schoolmeesters de kost. Niet alleen te Brussel maar bijvoorbeeld ook in Rome, Londen en Venetië werden Franstalige stadsbeschrijvingen en reisgidsen gedrukt. De toeristen van toen - vrijwel uitsluitend leden van de gegoede bovenlaag - konden in Rome, Venetië, Firenze, Londen, Berlijn en Potsdam gravures met stadsgezichten en stadsplannen met toelichtingen in het Frans kopen. Ook de klachten over het verval van de volkstaal waren allerminst specifiek voor Brussel. Van Polen en Hongarije tot Holland en van Italië tot Engeland deden schrijvers en dichters hun beklag over de verwaarlozing van de volkstaal. Zij hekelden de blinde verering van het Frans, destijds de cultuurtaal bij uitstek; zij verzetten zich fel tegen ‘l’Europe française’.

 

Het vergt dan ook geen betoog dat dergelijke ‘indices’ hooguit aanvullende informatie kunnen verschaffen voor een studie naar de taaltoestanden tijdens het Ancien Régime. Wie daarover iets zinnigs wil zeggen, moet eerst en vooral nagaan welke taal de personen en de instellingen in Brussel gebruikten om een brief te schrijven, om rekeningen en facturen te maken, om een contract af te sluiten of om een testament op te stellen. Bijzonder relevant is ook welke taal het Brusselse stadsbestuur gebruikte om verordeningen en reglementen uit te vaardigen. In welke taal richtten de wethouders zich tot de bevolking van de Zennestad? In welke taal stelden ambachten en hospitalen hun statuten en reglementen op en hielden zij hun ledenlijsten bij? Enkel in de Brusselse archieven is deze informatie te vinden.

 

6. Systematisch onderzoek

 

Dergelijk onderzoek, vooral wanneer het op een systematische wijze wordt uitgevoerd, vormt een zware opdracht. Precies daarom voelden slechts weinigen zich daartoe geroepen. Pas sinds het laatste kwart van de twintigste eeuw worden de taaltoestanden te Brussel tijdens het Ancien Régime systematisch bestudeerd. In tegenstelling tot de vroegere filologische belangstelling spitst het onderzoek zich nu toe op de ar­chiefdocumen­ten. Historici gaan doelbe­wust na welke taal de Brusselaars gebruikten voor be­paalde types van docu­men­ten: notarisak­ten, testamenten, ledenlijsten van verenigingen, statuten en reglementen, berichten aan de bevolking, enzovoort. Opvallend is de systematiek waarmee dit alles gebeurt. Hele archief­fondsen worden doorgenomen enkel en alleen om te zien in welke taal de docu­menten gesteld zijn.

 

In 1979 verschenen de studies van Has­quin en van De Ridder. Sedertdien werd het onderzoek uitgebreid tot andere types van documenten. Waar het bron­nen­ma­teri­aal dit toe­laat, worden de akten geteld en percentages berekend. Een typisch voorbeeld in dit verband vormt het onderzoek van de Brusselse nota­risakten. Volgens Hasquin telde Brussel, zoals reeds vermeld, anno 1785 iets meer dan 10 % Fransta­ligen.[xxiii] Er werd reeds op gewezen dat heel wat documenten van de stedelijke administratie vernield werden tijdens het bombardement van Villeroy in 1695. Heel wat documenten gingen in de vlammen op. Zowel het stadsbe­stuur als de ambach­ten bewaarden immers hun archieven in gebouwen op en rond de Grote Markt. Beide instanties leden dan ook de zwaarste verliezen. De archieven van kerken, kloosters, hospitalen en godshuizen daarentegen bleven grotendeels gespaard. Zelfs heel wat stedelijke documen­ten hebben de ramp van 1695 overleefd. Dit geldt met name voor de indrukwek-kende reeks van twintig privi­legieboeken uit de veertiende en de vijftiende eeuw. Zij dragen namen als Het boeck metten haire en Het boeck met de Ketinck.[xxiv] In deze banden staan de afschriften van talloze akten waarvan het origineel bij het bombar­dement werd vernield.

 

Met andere woorden: ondanks alle verliezen in de loop der tijden, zijn toch nog altijd massa’s Brusselse archiefstukken bewaard gebleven. Het was dan ook onmogelijk al die documenten in één keer te bestuderen. Daarom werd het onderzoek opgesplitst in twee fasen. De eerste fase (1977-1979) omvatte de controle van álle Brusselse archiefdocumen­ten uit de periode vóór 1500. De tweede fase, sedert 1980, is gewijd aan het onderzoek van de documen­ten opgesteld tussen 1500 en 1794. Dit onderzoek vertrekt van de vaststelling dat zowel onder de Bourgondiërs als onder de Habsburgers het Frans de taal was van de hofhouding en de centrale administra­tie. Aan de hand van de systematische controle in de Brusselse archieven wordt daarna nagegaan in hoeverre de aanwezigheid van een aantal Franstaligen in de Zennestad een invloed heeft gehad op het taalgebruik van de plaatselijke bevolking.

 

Hierna volgt de lijst van de Brusselse archivalia die tot nu toe onderzocht werden.

 

  1. De stedelijke privilegieboeken of cartularia ( 20 nummers).[xxv] In deze registers staan de afschriften van talloze originele akten die om een of andere reden belangrijk waren voor de stad Brussel (stedelijke reglementen, hertogelijke privileges, schenkingen van cijnzen en renten, lijsten van munten, enz.). Zij bestrijken de periode van het begin van de dertiende tot het einde van de achttiende eeuw.
  2. De ‘publicatieboecken’ ( 26 nummers).[xxvi] De publicatieboeken bundelen de 4036 verordeningen die tussen 1635 en eind decem­ber 1793 afgekondigd werden op de pui het stadhuis. Ook in deze registers zitten er heel stukken die dateren uit de periode vóór het bombardement van 1695.
  3. De ‘correctieboeken’ ( 13 nummers).[xxvii] De correctieboeken vertonen een sterke gelijkenis met de publicatieboecken.
  4. De diverse stadsrekeningen en rekenplichtige stukken (1112 nummers).[xxviii]
  5. De registers en de resolutieboeken met de beslissingen van het stadsbestuur (38 nummers).[xxix]
  6. De registers en de resolutieboeken[xxx] met de beslissingen van de tresorij (56 nummers­).
  7. De ‘wijckboeken’ (206 nummers).[xxxi] De wijkboeken zijn ingedeeld volgens de wijken en de straten waaruit de stad bestond. Zij bevatten de registratie van allerhande transacties van gronden, hui­zen, enz.
  8. De stedelijke gerechtelijke archieven (668 nummers).[xxxii]
  9. De consignatieboeken (30 nummers).[xxxiii]

10.De opinieboeken (31 nummers).[xxxiv]

11.Het archief van de kapittelkerk van Sint-Michiel en Sint-Goed­ele (12052 nummers). [xxxv]

12.De archieven van de Brusselse ambachten (1100 nummers).[xxxvi]

13.De archieven van de Brusselse instellingen voor armen- en ziekenzorg (4377 nummers).[xxxvii]

 

Uit deze lijst blijkt dat het onderzoek niet alleen beperkt bleef tot de archieven van het Brusselse stadsbestuur maar dat ook de archieven van de ambachten, van de hospitalen en godshuizen en van de kerkelijke instellingen bestudeerd werden. Vrijwel elk van de in deze lijst vermelde nummers omvat ettelijke tientallen, vaak zelfs honderden stukken. Materiaal te over dus om zich een duidelijk beeld te vormen van het taalgebruik te Brussel in de periode vóór 1794. De resultaten van dit onderzoek volgen hierna.

 

6.1 Het taalgebruik vóór 1500

 

Net als overal in West-Europa waren ook te Brussel de ambtelij­ke stukken aanvanke­lijk in het Latijn gesteld. Vanaf het einde van de dertiende eeuw schakelt men stilaan over naar de volkstaal. Brussel schijnt hierbij zelfs een voorsprong te hebben op de andere Brabantse steden als Leuven, Antwerpen, Lier, Tienen, Zoutleeuw.[xxxviii] Rond hetzelfde tijdstip dat men te Brussel het Latijn inruilt voor het ‘Dietsch’, ‘Duutsch’, ‘Duytsch’ stapt men in het Waals-Brabantse Nijvel over naar het Frans.

 

Te Brussel werd het Nederlands aanvankelijk vooral gebruikt voor de aangelegenheden die van belang waren voor de brede lagen van de bevolking. Het gaat hier concreet om stedelijke reglementen en verordeningen. De reden ligt voor de hand. De inwoners van Brussel moesten de onderrichtingen van hun wethouders probleemloos kunnen begrijpen. Ook alle stadsrekeningen waarvan de oudste dateren uit de veertiende eeuw, zijn in het Neder-Duytsch gesteld. Anders is het gesteld met de transacties van gronden, cijnzen en renten. Daar gebruiken de Brusselse schepenen tot in het begin van de zestiende eeuw het Latijn.[xxxix] Daarna (en dit tot het einde van de achttiende eeuw) wordt ook voor dit type van documenten volop overgeschakeld naar het Nederlands.

 

In tegenstelling tot de Bourgondische archieven - die quasi integraal in het Frans gesteld zijn - vindt men in de Brusselse archivalia uit de periode vóór 1500 vrijwel nooit Franstalige stukken. Wanneer men die weinige documenten nader onderzoekt, blijkt onmiddellijk waarom zij in het Frans gesteld zijn. Het gaat hier om de volgende stukken:

 

  1. Akten die uitgaan van of betrekking hebben op Franstalige vorsten zoals de koning van Frankrijk, de graaf van Vlaanderen, de graaf van Henegouwen, de prins-bisschop van Luik, de hertog van Bourgondië, de koning van Engeland. Gelet op de herkomst van de betrokkenen is het nogal logisch dat in deze gevallen het Frans gehanteerd werd.[xl] Hierbij aansluitend een andere vaststelling: in hun relaties met de aartsbisschop van Keulen en de steden uit het Rijnland gebruiken de Brabanders naast het Latijn ook het Hoog-Duits.[xli]
  2. Akten van instanties uit het Franse taalgebied. Wanneer een Brussels klooster een stuk grond of een rente aankoopt in Waals-Brabant of in Henegouwen zullen de schepenen ter plaatse dat meestal optekenen in een Waalse akte. Dit is de logica zelf. Overigens zitten er in de archieven van abdijen als Affligem en ‘t Park bij Heverlee ook soortgelijke Franstalige akten van schepenen uit het Waalse taalgebied. Omgekeerd vindt men in de archieven van Waalse abdijen als Nijvel en Villers-la-Ville ook regelmatig Dietse akten van instanties uit het Nederlandse taalgebied.[xlii]

 

.

Een sprekend voorbeeld voor de taaltoestanden te Brussel tijdens de Middeleeuwen vormt de oorkondenverzameling van de kapittelkerk van Sint-Michiel en Sint-Goedele. Daarin berusten 5027 originele oorkonden uit de periode vóór 1500. De meeste daarvan zijn uiteraard in het Latijn, de taal bij uitstek van de kerk. De overige zijn vrijwel allemaal in het Nederlands gesteld. Onder de 5027 akten uit de periode vóór 1500 zitten er slechts 49 Franse. Die gaan uit van volgende instanties: 41 van schepenen of instellingen uit Waals-Brabant en uit Henegouwen; zeven van de hertogen van Bourgondië; één van het kapittel van Sint Goedele (1455), maar bestemd voor de graaf van Etampes in Frankrijk.

 

Maar niets illustreert beter het Nederlandse karakter van Brussel tijdens de Middeleeuwen dan een vergelijking met de toestand in Vlaamse steden als Brugge, Gent, Ieper en Kortrijk. In het graafschap Vlaanderen, een leen van Frankrijk, was het Frans zowat de officiële voertaal van de grafelijke administratie. In de stadsarchieven van Brugge, Gent en Ieper schommelt tijdens de periode vóór 1500 het percentage Franstalige stukken tussen de 30 en 60 %.

 

Dergelijke verfransende invloeden waren in Brabant en in Brussel onbekend. Het onderzoek van de duizenden Brusselse archiefstukken uit de periode vóór 1500 leverde welgeteld drie Franstalige akten van de Brusselse schepenen op. De eerste heeft betrekking op het graafschap Henegouwen, de tweede op de kanselier van de hertog van Bourgondië, de derde op de hertog zelf.

 

In 1356 veroverde Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen, een aantal Brabantse steden. De Brusselse wethouder Everard Tserclaes - de man wiens beeld naast het stadhuis van Brussel door menige bezoeker wordt gestreeld - slaagde erin de Vlamingen uit Brussel en uit Leuven te verjagen. De Brabantse stad Antwerpen daarentegen bleef verder door de Vlamingen bezet. Vanaf dat moment vindt met op het Antwerpse stadsarchief een hele reeks Franstalige stukken. Tijdens de vijftiende eeuw krijgen de Antwerpenaren meer Franstalige akten van de hertogen van Bourgondië dan de Brusselaars...

 

6.2 De periode 1500-1794

 

In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, is Brussel nooit de gecentraliseerde hoofdstad van de Bourgondische staat geweest. De hertogen vertoefden immers ook elders (Dijon, Rijsel, Brugge, Gent en Mechelen). Pas in 1531 - onder het bewind van de Habsburgers dus - werd Brussel de hoofdstad van de Nederlanden. Op de Coudenberg vertoefde voortaan de vorst of zijn vertegenwoordi­ger: de landvoogd, de gouverneur-generaal en later de gevolmachtigde minister. In de bovenstad, meer bepaald in de buurt van de Coudenberg en de Zavel, vestigden zich een aantal Franstalige edelen, hovelingen en hoge ambtenaren. Die brachten vaak eigen Waals dienstper­soneel mee. De rijkdom van de hoofdstad trok ook een aantal marginalen aan.[1] Die hoopten in Brussel werk te vinden of desnoods al bedelend in hun onderhoud te voorzien. Vanuit de diverse vorstendommen van de Nederlanden - ook uit de Waalse gewesten - trokken vaklui naar dit centrum. Na verloop van tijd werden zij toegelaten tot de stedelijke ambach­ten.[2]

 

Te Brussel woonde dus een aantal anderstaligen. Dergelijke fenomenen waren allerminst nieuw.[3] Zo trokken tijdens de vijftiende en de zestiende eeuw heel wat vaklui uit de Nederlanden naar Firenze.[4] Bekwame ambachtslieden - en vooral de Brusselse tapijtwevers - waren in de Toscaanse hoofdstad zeer gegeerd. Zij genoten er zelfs privileges. Dergelijke vaklui - zowel die uit de Nederlanden als uit Duitsland - verenigden zich in een ‘Broederschap van de H. Barbara.’ Dit genootschap was sedert 1448 gevestigd in de kerk van ‘S.S. Annunziata.’ Het broederschap heeft in de loop van de jaren een heel archief opgebouwd dat vandaag op het ‘Archivio di Stato’ te Firenze berust. Daarin vindt men reglementen, ledenlijsten en rekeningen in het Nederlands of in het Hoogduits.

 

Er trokken niet alleen mensen uit de Nederlanden naar Italië. Het omgekeerde gebeurde ook. Niet alleen in de Nederlanden maar op talloze andere plaatsen in Europa bestonden er tijdens de middeleeuwen kolonies van Italianen, vooral geldhandelaars. Dergelijke ‘Lombarden’ vestigden zich vooral in belangrijke handelssteden als Brugge en Antwerpen.[5] Te Brussel waren zij minder uitgesproken aanwezig. Het lijdt overigens geen twijfel dat het middeleeuwse Brugge en het zestiende-eeuwse Antwerpen een veel sterker internationaal karakter hadden dan Brussel. Uitgebreide groepen van Italianen, Fransen, Hanzeaten, Portugezen, joden enz. heeft men aan de oevers van de Zenne nooit gekend. De vestiging van dergelijke ‘naties’ te Antwerpen bleef trouwens niet zonder gevolgen op het taalgebruik in de Scheldestad. De gemeenschappelijke omgangstaal van die buitenlanders was meestal het Frans.[6] In zijn ‘Descrittione di tutti Paesi Bassi’ (1561) stelt Guicciardini vast dat er tijdens de zestiende eeuw te Antwerpen zeer veel Frans gesproken werd. Eerlang zou het Frans in de Scheldestad als het ware uitgroeien tot de moedertaal, aldus de geleerde Florentijn.[7] Wanneer de jezuïet Carolus Scribani Brussel verlaat om zich te Antwerpen te vestigen, verbaast hij zich over de ijver waarmee de sinjoren zich van het Frans bedienen.[8] Dit was ook elders het geval. Toen Lodewijk van Nassau tijdens de zestiende eeuw Frans wou gaan studeren, kreeg hij de raad om naar Gent te trekken![9]

 

De inwijking van een aantal eenvoudige Walen zorgde ongetwijfeld voor de opname van een aantal Franse woorden in het Brusselse dialect. De Waalse inwijkelingen raakten op relatief korte termijn door de Brusselaars vernederlandst.[10] Ook de vestiging van een Franstalige keizer als Karel V met zijn hofhouding had blijkbaar slechts een beperkte weerslag op de taaltoestanden te Brussel. Uit het onderzoek van de Brusselse privilegieboeken als het Cleyn Swertboeck (1536-1602) en het Geel Correctie-boeck (1518-1565) waarin de akten van die Habsburger zijn gekopieerd, blijkt trouwens dat al de privileges die de keizer aan de stad Brussel verleende in het Nederlands gesteld zijn.[11]

 

Ook Verlooy constateerde in zijn Verhandeling (1788) dat er te Brussel een beperkt aantal Franstaligen woonde. Dit deed echter aller­minst afbreuk aan het Nederlands karakter van die stad. Want, zo schreef Verlooy, indien men zo zou rede­neren dan zijn ook Amsterdam, Londen en Berlijn Franstalige steden: ‘Daer zyn inderdaed nog wel andere fransche huysen in d’andere gewesten van Brus­sel en vele die de twee talen samen hebben en de fransche voor d’eerste houden: maer het en is om zulke huyzen niet, dat de stad ten deele Frans te rekenen is; want dan waer z’oock ten deele Engelsch en Hoogduytsch: en Londen, Berlyn en Amsterdam waren ook eensdeels Fransche steden...’[12]

 

Wie de Brusselse archieffondsen onderzoekt, stelt telkens weer vast dat het Nederlands hier de voertaal is gebleven tot aan de Franse Bezetting (1794-1815). Dit blijkt ondermeer duidelijk uit de archieven van de Brusselse hospitalen en godshuizen.[13] Dergelijke liefdadigheidsinstellingen werden beheerd door rijke burgers. Zij waren immers - samen met de adel en sommige clerici - de enigen die over voldoende vermogen beschikten om liefdadigheid te beoefenen. Welnu, vrijwel alle testamenten waarin dergelijke schenkingen werden opgetekend zijn in het Nederlands gesteld. Op de koop toe zijn de weinige Franstalige testamenten afkomstig van adellijke families uit het Franse taalgebied of uit Spanje. Bovendien stellen de leden van de traditionele Brusselse bovenlaag, de patricische geslachten, hun genealogische bescheiden tot het einde van de 18de eeuw op in het Nederlands. Ook hier hebben de zeldzame uitzonderingen betrekking op Frans- of Spaanstalige inwijkelingen.[14] Uit deze twee voorbeelden blijkt duidelijk dat - zelfs op het einde van de 18de eeuw - ook de overgrote meerderheid van de gegoede burgers in Brussel nog altijd Nederlandstalig was.

 

Ook het taalgebruik in de mededelingen aan het publiek bevestigt deze conclusie. Op het stadsarchief van Brussel berust een indrukwekkende reeks van ‘publicatieboecken’.[15] In deze banden bundelde de stad de teksten van de 4036 verordenin­gen die tussen 1635 en december 1793 afge­kondigd werden (‘gepubli­ceerd’) op de pui van het stadhuis. Niet minder dan 3847 van de 4036 stukken hebben het Nederlands als voertaal. Slechts 181 zijn in het Frans gesteld. Daarnaast is er één in het Spaans. Tenslot­te zijn er 7 tweeta­lige akten waarbij de Nederlandse en de Franse versie naast elkaar staan in twee kolom­men.

 

Van die 181 Franstalige teksten werden er 143 uitge­vaardigd door de vorst, de landvoogd of andere niet-stedelij­ke instan­ties. De meeste van die 143 akten waren bovendien niet speci­fiek voor Brussel be­stemd. Zij bezitten integendeel een veel ruimere draag­wijdte en hadden betrekking op het geheel van de Zuide­lijke Neder­landen en berusten dan ook evengoed in de archieven van andere steden in de Zuidelijke Nederlanden. Sommige van die Franstalige akten golden zelfs voor het hele Habs­burgse Rijk. Typisch zijn onder­meer de Franstalige akten over het oproer in Hongarije en over de vrijha­vens van Fiume en Triëst. Van de 181 Franstalige akten werden er slechts 37 opge­steld door de Brussel­se wethou­ders. En van die 37 blijven er uitein­de­lijk slechts een tien­tal over die zouden kunnen wijzen op ‘ver­fran­sing’. Dit wil zeggen 10 op een totaal van 3039 stede­lijke akten.

 

Het besluit ligt dan ook voor de hand: vóór 1794 heeft het Brusselse stadsbestuur vrijwel nooit het Frans gehanteerd in haar officiële medede­lingen aan de bevolking: 95,3 % is immers in het Nederlands en 4,7 % in het Frans.

 

In dit verband wil ik nog het volgende kwijt. In zijn publicatie Le français à Bruxelles aux siècles passés meent Van den Bruwaene een sterk argument gevonden te hebben voor zijn bewering als zou er te Brussel reeds in de 17de eeuw een groot aantal Franstaligen gewoond hebben. Hij verwijst hiervoor naar een toltarief uit 1675. Dit toltarief is immers niet alleen in het Nederlands maar ook in het Frans gesteld.[16] Het document vermeldt de bedragen die betaald moeten worden bij de invoer van goederen te Brussel. Iedereen begrijpt onmiddellijk waarom - in dit specifieke geval - ook een Franse versie werd gemaakt. Die tarieven hebben immers onder meer betrekking op de bedragen die Waalse voerlui moesten betalen wanneer zij steenkool invoerden te Brussel.

 

Tot het einde van de achttiende eeuw bleef het Nederlands de voertaal bij uitstek van de Brusselse instellingen, de enige waarmee de Brusselaar regelmatig in contact kwam. Een en ander wordt trouwens uitdrukkelijk bevestigd door een tijdgenoot: Jan Baptist Verlooy. Hij schreef dat te Brussel ‘tot den dag van heden’ zowel het gerecht als het bestuur (‘policie’) uitsluitend in het Nederlands gevoerd worden. Hij stelt letterlijk ‘dat het Frans hier te Brussel maer een’ vremde ingeëntte en reeds verbasterde spraek is; dat het het Nederduyts d’oorspronkelyke moederlyke tael is; dat ook tot den dag van heden toe alle zaken van justicie en policie in ‘t Nederduyts alleen verhandelt worden...’[17]

 

Ambtenaren van de centrale administratie, belast met het behandelen van Brusselse dossiers, moesten dan ook Nederlands kennen. Ook Karel-Alexander van Lotharingen was zich hiervan terdege bewust. Op 19 augustus 1752 stuurde deze (Franstalige) landvoogd van de Oostenrijkse Nederlanden een brief naar Wenen. Daarin meldde hij keizerin Maria-Theresia dat baron de Cazier, een raadsheer bij de Raad van Financiën, aanvankelijk geen Nederlands kende. Op korte tijd echter, zo vervolgde Karel-Alexander, had Cazier al zoveel Nederlands geleerd dat die edelman onlangs zelfs in staat was geweest om de rekeningen van de stad Brussel te controleren: ‘cependant il s’est tellement appliqué à la langue flammande qu’il a été en état d’entendre les derniers comptes de la ville de Bruxelles qui sont couchés en cette langue.’[18] Nergens wordt het fundamentele verschil tussen de Franstalige Habsburgse administratie enerzijds en de Nederlandstalige Brusselse administratie duidelijker in de verf gezet dan in deze tekst van Karel-Alexander van Lotharingen. Ook gevolmachtigd minister Cobenzl beschouwde het niet kennen van het Nederlands voor wie Brusselse dossiers moest behandelen, als ‘une espèce de défaut.’[19]

 

Uit al wat voorafgaat, blijkt dat op het einde van de achttiende eeuw de overgrote meerderheid van de Brusselaars nog altijd Nederlandstalig was. Zoals reeds vroeger gemeld raamde Verlooy het aantal Fransta­ligen te Brussel op 5 %. Ook Voltaire kwam tot dezelfde vaststelling. De Franse filosoof riep rond 1740 verontwaardigd uit: ‘Le diable qui dispose de ma vie m’envoie à Bruxelles et songez, s’il vous plaît qu’il n’y a à Bruxelles que des Flamands.’[20] Diezelfde Voltaire schreef over Berlijn in Pruisen: ‘Je me trouve ici en France. On ne parle que notre langue… La langue qu’on parle le moins c’est l’allemand. Je n’en ai pas encore entendu prononcer un mot.’[21]

 

In Brussel evengoed als in Gent, Brugge, Kortrijk, Antwerpen, Leuven, Mechelen, Lier, Diest, enzovoort, keken een aantal mensen op naar de Frans­ta­lige bovenlaag. Dit was des te meer waar daar het Nederlands tijdens de achttiende eeuw met een aantal handicaps te kampen had. Zo waren er toen noch in de Noordelijke noch in de Zuid­elijke Nederlanden toonaangevende auteurs. Bovendien genoot de Franse cul­tuur uitgerekend in die tijd een groot aanzien in heel Europa. Ten slotte was er ook de weer­slag van de Franse bezet­ting van 1745 tot 1749. Vooral na 1780 hebben al die factoren bijgedragen tot de verspreiding van het Frans in de kringen van de bourgeoisie. Die gegoede bovenlaag had zich voornamelijk in de ‘aristocratische bovenstad’ gevestigd, meer bepaald rond de voormalige ‘warande’ van het in 1731 door brand vernielde paleis van de Coudenberg. In die buurt werden vanaf 1775 grootschalige urbaniseringswerken uitgevoerd. Rond het pas aangelegde Lotharingenplein - het huidige Koningsplein - werden verkavelingen uitgevoerd. Die bouwgronden waren onbetaalbaar voor de gewone Brusselaar.[22] Het is beslist geen toeval dat Jan Baptist Verlooy uitgerekend in 1780 zijn beroemde Verhandeling schreef, een werk dat hij pas kon laten drukken in 1788. Een sociaal bewogen man als Verlooy - hij was zelf van eenvoudige afkomst - en een uitgesproken ‘democraat’ revolteerde tegen een dergelijke ‘sociale verdringing’. Mede daarom ook kaartte hij in 1785 die problematiek aan bij de Oostenrijkse keizer Jozef II.[23]

 

Na 1780 schijnt de verfransing een sterkere impuls gekregen te hebben in heel de Zuidelijke Nederlanden. Dit verklaart allicht waarom het stads­be­stuur tijdens de Brabantse Omwenteling (1789-1790) een aantal (dus niet alle) reglementen inzake ordehandhaving niet alleen in het Nederlands maar ook in het Frans heeft uitgevaardigd. In die woelige jaren trokken trouwens ook vanuit Waalse gewesten heel wat revolutionairen naar Brussel. Daar, maar ook elders in het Nederlandse taalgebied, werden in die tijd nogal wat Frans­talige pamfletten verspreid.[24]

 

Vooral na 1790, dus in de periode waarin de bourgeoisie meer dan ooit aanspraak maakte op inspraak bij het landsbestuur, schijnen te Brussel een aantal autochtonen naar het Frans te zijn overge­schakeld. Dit gebeurde echter ook in andere steden. Mede daarom verklaarde Jozef II dat de inwoners van heel de Zuidelijke Nederlanden eropuit waren hun buren na te boot­sen. Op de Hollandse ondergrond zat enkel een dun laagje Frans vernis. De Oostenrijkse keizer schreef letterlijk: ‘Les habitants de Bruxelles et des Pays Bas sont des imitateurs de leurs voisins. Le fond est Hollandais et le vernis Français.’[25] Veel had dit echter niet om het lijf. Verlooy schrijft uitdrukkelijk dat de verfransing zelfs in zijn tijd zo miniem was dat die - indien de overheid een ander beleid zou voeren - in de kortste keren zou verdwijnen: ‘het welk met een ander politiek te volgen als dat van heden wel haest verdwe­nen waer...’ Hij besluit dan ook kort en goed dat men Brussel niet anders moest beschouwen dan als een Nederlandse stad: ‘dat men Brussel niet moet aen­zien dan als een enkel Nederduytsche stad.’[26]

 

7. Verzet tegen de verfransing

 

Het Nederlandstalige karakter van de stad komt ook goed tot uiting in het verzet tegen de verfransing. In tegenstelling tot wat in Vlaanderen nog vaak wordt beweerd, waren de Brusselaars allerminst gediend met de aanwezigheid van een aantal Franstaligen in hun stad. Dit blijkt zeer duidelijk wanneer in 1488 Filips van Kleef de Brusselaars ter hulp komt in hun strijd tegen Maximiliaan van Oostenrijk. Het leger van Filips van Kleef omvatte immers ook Waalse huurlingen. Toch werd de heer van Kleef te Brussel met vreugde begroet. De Bourgondische kroniekschrijver Jean Molinet verwondert zich hierover ten zeerste. Want, aldus deze auteur, tijdens de voorbije oorlogen hadden de Brusselaars steeds de Fransen gehaat. Die houding had niet zozeer te maken met de oorlogsomstandigheden. Molinet specificeert immers uitdrukkelijk dat de Brusselaars niet enkel afkerig stonden van de Fransen maar zelfs van de Henegouwers en andere Walen. De Brusselaars haatten de Walen vooral omwille van hun taal.[27]

 

Tijdens de zestiende eeuw scheldden de Brusselaars meermaals op de ‘rotte Walen’.[28] In 1695 wou Descartes Franstalige stukken indienen voor een proces. De Brusselse wethouders maakten daartegen bezwaar. Zij waren slechts bereid die documenten in ontvangst te nemen wanneer dit niet als een precedent werd beschouwd.[29] Het valt overigens op dat - wanneer Franstaligen zich in hun moedertaal tot het stadsbestuur richtten - de Brusselse wethouders daarop vrijwel altijd in het Nederlands antwoordden.[30] Enkel voor edelen en de centrale overheid werd het Frans gebruikt.

 

In 1711 kwam het tot een taalincident in de kapittelkerk van Sint-Michiel en Sint-Goedele. De kanunniken aldaar kregen hun prebende van de vorst. Die zag daarin trouwens vaak een geschikt middel om een of andere edelman te begunstigen. Een dergelijk geestelijke, Jean Chrysostome de Montpleinchamp, tevens hofpredikant, vroeg dat men tijdens de kapittelvergaderingen het Frans of het Latijn zou gebruiken, althans wanneer er aangelegenheden ter sprake kwamen die direct betrekking hadden op francofone kanunniken. Slecht bekwam het hem. De deken van Sint-Goedele, Jacob De Maeyere, een geboren en getogen Brusselaar, stammend uit een der belangrijkste families uit de Zennestad snauwde de Waalse geestelijke toe: ‘Capitulum est Flandricum!’[31] Het ging hier wel degelijk om een principiële houding. De Maeyere kende immers zeer goed Frans. Hij was jarenlang secretaris geweest van Jacob de Berghes, de Franstalige aartsbisschop van Mechelen.

 

In 1725 verzetten de Brusselse wethouders zich tegen de benoeming van Jean-Baptist Rousseau tot geschiedschrijver. Vooreerst ging het om een Fransman, daar waar een decreet uit 1641 uitdrukkelijk verbood ambten te verlenen aan vreemdelingen. Het stadsbestuur beschikte bovendien nog over een bijkomend argument. Aangezien de man geen Nederlands kende, zou hij nooit zijn beroep naar behoren kunnen uitoefenen.[32] Hij was immers niet bij machte de Brusselse archiefdocumenten te begrijpen.

 

Tijdens de Franse Bezetting (1792/94 - 1815) werd te Brussel en elders een systematische verfransingspolitiek doorge­voerd. Die stuitte echter op verzet van de Brusselaars. In een brief aan Sylvain Van de Weyer citeert Jan Frans Wil­lems een treffend voorbeeld in dit verband. Anno 1792 moest een ‘volksvergadering’ zich - onder de bedrei­ging van de bajonetten der sansculotten - uit­spreken over de aan­hechting van de Oos­tenrijkse Neder­landen bij Frank­rijk. Negen secties (territoriale onderverde­lingen in de stad Brus­sel) stelden hun proces-verbaal op in het Neder­lands. In een sectie rees protest tegen het gebrek aan respect voor de volkstaal: ‘lor­squ’on voulut forcer la nation à émettre un voeu de réu­ni­on à France, neuf sections firent leurs procès-verbaux en flamand. Dans une des sections le peuple ne voulut pas même entendre la tra­duc­tion des pro­clama­tions de Dumouriez pour ne pas laisser profa­ner sa langue appelée ‘notre langue flamande’ par le président J.B. Mail­lard.’[33]

 

Zelfs tijdens de Franse Bezetting stelden de plaatselijke instellingen verder hun rekeningen en processen verbaal in het Nederlands op. Zij bleven dit doen tot de sansculotten dit uitdrukkelijk verboden. Een typisch voorbeeld was G. Vanden Eijnde. Die man was niet alleen de onderpastoor van Onze-Lieve-Vrouw van de Zavel maar ook de rentmeester van het Godshuis van de Calvarie. Tussen 1794 en 1797 - in volle Franse Bezetting dus - diende hij telkens weer zijn rekeningen in het Nederlands in bij de Franse overheid. Toen hij dat in 1798 andermaal deed, kreeg hij van de ‘commissaires de la République’ verbod opgelegd zijn rekeningen nog langer in het Nederlands op te stellen.[34] Een kras staaltje van taaldwang.

 

Onmiddellijk na de Franse inval riep Brussel de andere Bra­bantse steden op om samen de eigen instellingen te hand­ha­ven. Toen een gemeenschappelijke actie onmogelijk bleek, pro­beerde de Zennestad het alleen.[35] De Franse bezetter moest vast­stellen dat het Frans te Brussel grotendeels onbekend was. De overgrote meerderheid van de bevolking begreep die taal eenvoudigweg niet. Daarom ook protesteerden de Brusselse notarissen tegen het feit dat in het Nederlands gestelde tes­tamenten niet rechts­geldig konden worden gemaakt. Nog in 1804 moest de Franse overheid uitdrukkelijk ver­bie­den dat te Brussel een Nederlandse krant zou worden uit­ge­geven.[36]

 

In 1814 vroegen de dekens van de Brus­selse ambach­ten het herstel van de moe­dertaal. Zij richtten zich in het Frans tot een Franstalig edelman, ‘son excél­lence le génér­al baron Vin­cent, gou­verneur-général de la Belgique.’ In dit schrijven deden zij er hun beklag over dat het Nederlands nog steeds niet in ere was hersteld. Toch waren de Fransen reeds een paar maand uit Brussel verdre­ven. Dan hadden de Duitsers het beter ge­troffen: ‘Les peuples de l’Allemagne ont fait justice de ces lois révolutionaires, ces nations ont rendu homage à la langue de leur pays et à leur ancienne législati­on.’ De Brusselaars echter mochten hun officiële stukken nog altijd niet opstellen in het Nederlands: ‘et nous avons encore à rougir de ne pouvoir employer notre langue nationale dans aucun acte public, nous sommes encore sous le joug de la langue française...’ Er moest een einde komen aan het verbod de nationale taal te gebruiken: ‘La proscription de la langue nationale flamande doit cesser.’ De ambachts­dekens betoogden dat volkeren slechts gelukkig kunnen zijn wanneer ze bestuurd worden op een manier die hun eigen zeden respecteert: ‘N’est il pas de principe que pour rendre les peuples heu­reux, il faut assortir le système de gouvernement à leur génie et à leurs moeurs?’[37]

 

Dit verzoekschrift uit 1814 van de dekens der Brusselse ambachten vormt samen met de Verhandeling op d’onacht der Moederlyke Tael in de Nederlanden (1788) een der eerste uitingen van de beweging voor de revalorisatie van het Nederlands.

 



NOTEN

 

[1] De enquête werd gehouden door K. Deprez en Y. Persoons.

[1] J.B.C. Verlooy, Verhandeling op d’onacht der moederlyke tael in de Nederlanden, Maastricht, 1788. (Anastatische herdruk ingeleid en toegelicht door J. Smeyers en J. van den Broeck, Den Haag, 1979), p. 33; H. Hasquin, ‘Le Français à Bruxelles entre 1740 et 1780. Premier essai de quantification’, in: Etudes sur le XVIIIe siècle 6 (1979), p. 193-200.

[1] J. Van den Broeck, J.B.C. Verlooy, vooruitstrevend jurist en politicus uit de 18de eeuw, 1746-1797. Antwerpen-Amsterdam, 1980 en P. De Ridder, Nieuw licht op J.B.C. Verlooy (1746-1797), vader van de Nederlandse Beweging. Brussel-Gent, 2001 (Archief en Bibliotheekwezen in België. Extranummer, nr. 65).

[1] Verlooy, Verhandeling, p. 33.

[1] Hasquin, ‘Le Français à Bruxelles’, p. 200.

[1] P. De Ridder, ‘Préjugés antibruxellois des Flamands vus par un Bruxellois (N)’, in: Toudi. Culture et société 3 (1989), p. 87-92 (Centre d’Etudes Wallonnes) ; P. De Ridder, Het andere Brussel. Een afrekening met vooroordelen. Antwerpen, 1988, 2de druk.

[1] J. Bartier, ‘Bruxelles, capitale des Pays-Bas. La centralisation bourguignonne et habsbourgeoise’, in: Bruxelles, croissance d’une capitale. Antwerpen, 1979. p. 87-89.

[1] A. Smits, 1830, Scheuring der Nederlanden. Heule, 1983, 2 dln. (Standen en Landen, nr. LXXXIII). Deel 2 draagt als titel ‘Brussel verovert Vlaanderen’. Een kritiek op deze onjuiste voorstelling vindt men bij P. De Ridder, ‘1830, het werk van de Brusselaars?’, in: Kultuurleven 52 (1985), p. 116-124; P. De Ridder, ‘Anti-Brusselse reflex in de geschiedschrijving: 1830, scheiding der Nederlanden (Dom A. Smits)’, in: De Brusselse Post, dec. 1984, p. 18-19 en jan.1985, p. 20-21 en P. De Ridder, ‘Verfransingsmechanismen te Brussel (1430-1794)’, in: Wetenschappelijke Tijdingen, 1989, p. 107.

[1] Een goed overzicht vindt men bij E. Witte & H. Van Velthoven, Taal en politiek. De Belgische casus in een historisch perspectief. Brussel, 1998.

[1] H. Van Velthoven, ‘De taalwetgeving en het probleem Brussel, 1830-1914’, in: Taal en Sociale Integratie 4 (1981), 2, p. 255.

[1] K. Van den Oever, Verzameld werk. Retie, 1985, dl. I, p. 525-526.

[1] P. De Ridder, Het andere Brussel. Pleidooi voor een positieve benadering. Antwerpen, 1984, p. 13-14.

[1] J. Te Winkel, Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Haarlem, 1887, dl. I, p. 542.

[1] F. Brunot, Histoire de la langue française des origines à 1900. Tôme I, De l’époque latine à la Renaissance. Parijs, 1905, p. 388, noot 4.

[1] P. De Ridder, ‘Een mythe die stand houdt: de verfransing van Brussel tijdens het Ancien Regime’, in: Nederlandstalige Brusselaars in een multiculturele gemeenschap/samenleving. Brussel, 1999, p. 26-27, noot 28; P. De Ridder, ‘Taalgebruik te Brussel tijdens de vijftiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Brusselse geschiedenis 2 (1985), p. 177; P. De Ridder, ‘Onderzoek naar het taalgebruik in de archieven der Brusselse schepengriffies, ambachten, kerkelijke instellingen en hospitalen vóór 1500’, in: Taal en sociale integratie 6 (1982), p. 347, 352 en 356; P. De Ridder, ‘Franstalige stukken bewaard in de archieven der lokale Brusselse instellingen. Bijdrage tot de studie van het taalgebruik te Brussel vóór 1500’, in: Handelingen van de Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en geschiedenis 36 (1982), p. 57-83.

[1] In een veel gebruikt handboek luidt het: ‘Advokaat Verlooy hekelt de Brusselaars die het Vlaams misprijzen’. Zie: M. Dierickx, Geschiedenis van België en van onze eigen tijd. Antwerpen, 1967 (Historia. Handboeken van geschiedenis voor het middelbaar onderwijs), p. 131.

[1] Verlooy, Verhandeling, p. 28-29.

[1] Verlooy, Verhandeling, p. 29.

[1] Verlooy, Verhandeling, p. 32.

[1] M. Martens (red.), Histoire de Bruxelles. Toulouse, 1976. J. Stengers (red.), Brussel, groei van een hoofdstad. Antwerpen, 1979. Een synthese vindt men bij P. De Ridder, Brussel, geschiedenis van een Brabantse stad. Brussel-Gent, 2001, 7de druk (vertaald in het Frans, Duits, Engels, Spaans, Italiaans, Portugees, Russisch, Japans en Arabisch).

[1] Informatie aangaande de ontwikkelingen tijdens de laatste decennia vindt men in de publicaties van het Centrum voor Interdisciplinair Onderzoek naar de Brusselse Taaltoestanden van de Vrije Universiteit te Brussel. Het gaat hier om de reeks ‘Taal en sociale integratie’ voortgezet als ‘Brusselse thema’s’ (Brussel, 1978- ).

[1] Meerdere auteurs wezen op het belang van het verblijf van Karel van Neder-Lotharingen op het Sint-Gorikseiland te Brussel (P. Bonenfant, ‘Une capitale au berceau: Bruxelles’, in: Annales, économies sociétés et civilisations 4 (1949), p. 302-306; M. Martens, ‘Les survivances domaniales du castrum carolingien de Bruxelles à la fin du moyen âge’, in: Le moyen-âge 4e série, 18 (1963), p. 641-655 en M. Martens, ‘Du site rural au site semi-urbain (695-1040)’., in: M. Martens (red.), Histoire de Bruxelles, 1979, p. 27,36, 38-45). Die opvatting werd recent betwist door G. Despy. Volgens hem begint de geschiedenis van Brussel niet in het laatste kwart van de 10de eeuw maar in het jaar 1000 - dus zo’n 25 jaar later (G. Despy, ‘Un dossier mystérieux: les origines de Bruxelles’, in: Bulletin de la Classe des Lettres et des sciences morales et politiques de l’Académie Royale de Belgique, 6e série, 8 (1997), p. 300-303). De bijdrage van Despy heeft ongetwijfeld de verdienste de (weinige) voorhanden bronnen kritisch te evalueren. Toch moet men hierbij behoedzaam te werk gaan. Dit bleek recent nog eens duidelijk met het dossier ‘Sint-Goedele’. Despy betwistte de opvatting van Placide Lefèvre dat op de plaats van de huidige kathedraal reeds een heiligdom zou hebben gestaan tijdens de karolingische periode. Volgens Despy was er vóór de stichting van een kapittel door de graaf van Leuven (ca. 1047) niets op deze plaats. Ook ikzelf deelde trouwens - tot vóór kort - die mening. Recente archeologische opgravingen van P. Bonenfant toonden echter aan dat op de plaats huidige kathedraal reeds een bescheiden kerk stond rond het jaar 900. Uit dit geval blijkt andermaal dat men niet zomaar latere tradities als onbetrouwbaar mag verwerpen. Dit geldt ook voor het al of niet bestaan van een vesting in de buurt van het Sint-Gorikseiland Dat er pas op het einde van de dertiende eeuw en tijdens de veertiende eeuw gewag gemaakt wordt van het verblijf van Karel van Neder-Lotharingen te Brussel betekent nog niet automatisch dat dit fantasie is. Bovendien dient te worden vastgesteld dat G. Despy de plaatsnaam ‘Borchwal’ fout interpreteert. Die plaats, gelegen vlak bij het Sint-Gorikseiland, wordt door hem vertaald als ‘vallée du bourg’ (p. 289). Het Nederlandse (net als het Duitse) woord ‘wal’ heeft echter niets te maken heeft met een ‘vallei’ maar verwijst integendeel naar de (aarden ?) omwalling van de ‘borch’.

[1] P. Avonds, ‘Brabant en de slag bij Woeringen. Mythe en werkelijkheid’, in: P. Avonds & J.D. Janssens, Politiek en literatuur. Brabant en de slag bij Woeringen (1288). Brussel, 1989 (Centrum voor Brabantse Geschiedenis), p. 25, 31-35.

[1] P. De Ridder, ‘Dynastiek en nationaal gevoel in Brabant onder de regering van hertog Jan I (1267-1294)’, in: Handelingen van de Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis 33 (1979), p. 73-99.

[1] J. Janssens, ‘De Brabantse literatuur en de Lotharingische ambities van de hertogen. Een voorlopige schets’, in: Avonds & Janssens, Politiek en literatuur, p. 135, noot 15; J. Janssens, ‘De Brabantse literatuur in de 13de eeuw: oude problemen en nieuwe mogelijkheden’, in: De Brabantse Folklore, nr. 253, 1987, p. 84. De auteur heeft het over ‘een grote Brabants-Rijnlandse literatuurprovincie’.

[1] R. Van Caenegem, ‘Inleiding’, in: P. Trio, D. Heirbaut & D. van den Auweele (red.), Omtrent 1302, Leuven, 2002, p. 9.

[1] A. Cosemans, ‘Taalgebruik in Vlaanderen en Brabant tijdens de middeleeuwen. Enkele aanmerkingen en terechtwijzingen’, in: Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie, Klasse der Letteren, 1934, p. 489; J. Des Cressonnieres, Essai sur la question des langues dans l’histoire de Belgique. Brussel, 1919, p. 48-65; H.. Pirenne, Histoire de Belgique, 1902, dl. I, p. 307-316; G. Kurth, De l’emploi officiel des langues dans les anciens Pays-Bas. Brussel, 1898 (Mémoires couronnés et autres mémoires publiés par l’Académie Royale de Belgique, dl. XLVIII, II) p. 26-27.

[1] F. Brunot, Histoire de la langue française, dl. I, p. 367 en dl. V, p. 148.

[1] Brunot, Histoire de la langue française, dl. I, p. 379.

[1] P. De Ridder, ‘Taalgebruik in de oorkonden van hertog Jan I (1267-1294) en Jan II (1294-1312)’, in: Bijdragen tot de Geschiedenis 63 (1980), p. 1-16 (Liber Alumnorum Karel van Isacker).

[1] G. Kurth, La nationalité belge. Namen, 1913, p. 50-51.

[1] P. De Ridder, ‘Brussel residentie der hertogen van Brabant onder Jan I (1267-1294) en Jan II (1294-1312)’, in: Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis 57 (1979), p. 329-341.

[1] R. Van Uytven, ‘Vorst, adel en steden: een driehoeksverhouding in Brabant van de twaalfde tot de zestiende eeuw’, in: Bijdragen tot de geschiedenis 59 (1976), p. 93-122.

[1] Op 26 mei 1459 trof de stad Brussel de nodige maatregelen om de bouw van de grote zaal op de Coudenberg te bespoedigen. De stad wilde de hertog in Brussel houden: ‘ende opdat hy by der ontseginghe desselfs wercs redene mocht hebben te langher in deze stat van Bruessel te bliven metten ghene die hem volgen ende oic opdat hy eer zyn leghel na ‘t volmacken van der zalen te Bruessel mochte aennemen , in grote profyte van der stat en van der onderseten derselve’ (P. Leynen, ‘Het vorstelijk hof van Koudenberg, de bouw van de grote zaal en het transport van de balken (1452-1459)’, in: Eigen Schoon en De Brabander 52 (1969), p. 73).

[1] P. Bonenfant, Les restes tangibles de l’Aula Magna de Philippe le Bon’, in: Le Quartier Royal. Brussel, 1998, p. 97-113.

[1] P. De Ridder, ‘Een bouwmeester uit het Herfsttij der Middeleeuwen: Jan van Ruysbroeck’, in: Tijdschrift voor Brusselse Geschiedenis 2 (1985), p. 5-16 en A. Maesschalck & J. Viaene, ‘Bouwmeester Jan van Ruisbroek, herdacht (1486-1986)’, in: Tijdschrift voor Brusselse Geschiedenis 2 (1985), p. 17-110.

[1] D. De Vos, Rogier van der Weyden. Het volledige oeuvre. Antwerpen, 1999 en E. Dhanens, Rogier van der Weyden. Revisie van de documenten. Brussel, 1995 (Verhandelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Klasse der Schone kunsten, 1995, LVII, nr. 59). Zie over de Brusselse residentiepolitiek ook de bijdrage van Remco Sleiderink, elders in deze bundel.

[1] Andreas Vesalius. Experiment en onderwijs in de anatomie tijdens de 16de eeuw. Tentoonstelling in de Koninklijke Bibliotheek Albert I van 5 november 1993 tot 5 december 1993 naar aanleiding van de vierhonderdste verjaardag va het verschijnen van De humani corporis fabrica van Andreas Vesalius. Brussel, 1993 (Catalogi van tentoonstellingen in de Koninklijke Bibliotheek Albert I , C 242).

[1] J. Decavele, ‘De opkomst van het protestantisme te Brussel’, in: Noordgouw 19-20 (1979-1983), p. 25-44 en J. Decavele, ‘Reformatie en Contrareformatie’, in: Stengers, Brussel, groei van een hoofdstad, p. 93-109.

[1] Plakkaat van Verlatinge, 1581. Facsimile-uitgave van de originele druk. Inleiding, transcriptie en vertaling in hedendaags Nederlands door Dr. M. Mout. Den Haag, 1979.

[1] L. Duerloo & Werner Thomas (red.), Albrecht en Isabella (1598-1621). Catalogus van de tentoonstelling. Turnhout, 1998.

[1] A. VANRIE, ‘Le XVIIIe siècle’, in: Martens, Histoire de Bruxelles, p. 233-270.

[1] De Ridder, Nieuw licht op J.B.C. Verlooy, p. 30.

[1] De Ridder, Nieuw licht op J.B.C. Verlooy, p. 73-82.

[1] R. Devleeshouwer, ‘La fin de l’Ancien Régime et la période française’, in: J. Stengers (red.), Bruxelles, croissance d’une capitale. Antwerpen, 1979, p. 159-165.

[1] A. Vermeersch, ‘De taalsituatie tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1814-1830)’, in: Taal en Sociale Integratie 4 (1981), p. 389-404.

[1] Gazette des Pays-Bas, 5 september 1829, p. 3.

[1] J. Schrant (ed.), Verhandeling op het niet achten, der moederlyke tael in de Nederlanden, door een’ Brusselsch advocaet. Gent, 1829.

[1] Des Cressonnieres, Essai sur la question des langues, p. 333.

[1] C. Serrure, ‘Over het gebruik onzer moedertael te Brussel in vroegere dagen’, in: Vaderlandsch Museum voor Nederduitsche Letterkunde, Oudheidkunde en Geschiedenis 3 (Gent, 1859-1860), p. 181-196.

[1] Zie noot 27.

[1] H. Hasquin, Historiographie et politique. Charleroi, 1982, 2e druk, p. 50-71.

[1] Witte & Van Velthoven, Taal en politiek, p. 68-69.

[1] H. Van Velthoven, Vlaamse en sociale machtsstrijd in België gekonkretiseerd in de wetgeving (1894-1914). Brussel, 1979, p. 189 (doctoraatsverhandeling) en R. Van Alboom, De Waalse verenigingen te Brussel. Onderzoek naar het impakt op het taalprobleem vóór W.O. I. Brussel, 1981, p. 130 (licentiaatsverhandeling).

[1] D. Stracke, ‘La francisation séculaire de la Flandre: Was Brussel vroeger tweetalig als nu?’, in: De Vlaamsche Hoogeschool, mei 1914, p. 5-6; M. Sabbe, ‘Aanteekeningen over letterkunde en taaltoestanden te Brussel in de 17de en 18de eeuwen’, in: Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, 1934, p. 557-573; K. Hemmerechts, Het Triëst van het Noorden. Brussel, 1964.

[1] Sabbe, ‘Aanteekeningen over letterkunde en taaltoestanden’, p. 568.

[1] A. Cosemans, ‘Taaltoestanden historisch gezien. Het cultureel uitzicht van Brussel in de 18de eeuw tot 1830’, in: Handelingen van de Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en geschiedenis 6 (1952), p. 129-140 en A. Cosemans, ‘Bestuur, gezelschapsleven en taaltoestanden historisch gezien’, in: Handelingen van de Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis 4 (1950), p. 32-60.

[1] L. Zylbergeld, Bruxelles mille ans de rayonnement de la culture française. Brussel, 1979. Een kritiek op deze publicatie vindt men bij J. Baerten, ‘Le français au moyen âge. Une mise en garde’, in: Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis 60 (1982), p. 879-897 en van dezelfde, ‘Het Brussels Millennium: een balans’, in: Handelingen van de Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis 34 (1980), p. 47-54.

[1] L. Van den Bruwaene, Le français à Bruxelles aux siècles passés. Brussel, 1980.

[1] Een kritiek op de publicatie van L. Van den Bruwaene vindt men bij De Ridder, ‘Taalgebruik te Brussel tijdens de vijftiende eeuw’, p. 165-173.

[1] Van den Bruwaene, Le français à Bruxelles, p. 113.

[1] De vergelijking met andere Europese steden is breder uitgewerkt door P. De Ridder, ‘De Brusselse taaltoestanden in Europees perspectief (1500-1794)’, in: Eigen Schoon en De Brabander 80 (1997), p. 363-404.

[1] Hasquin, ‘Le Français à Bruxelles’, p. 199-200.

[1] De Ridder, ‘Peilingen naar het taalgebruik in Brusselse stadscartularia’, p. 19-23.

[1] De Ridder, ‘Peilingen naar het taalgebruik in Brusselse stadscartularia’, p. 12-13.

[1] P. De Ridder, ‘De publicatieboeken van de stad Brussel en het taalgebruik in de ‘Princelycke Hoofdstadt van’t Nederlandt’ (1635-1793)’, in: Eigen Schoon en De Brabander 80 (1997), p. 123-168.

[1] C. Pergameni, Les archives historiques de la ville de Bruselles. Brussel, 1943, p. 66-67 en Brussel, Stadsarchief, Oud archief, nrs. 1712-1722.

[1] P. De Ridder, ‘Taalgebruik in de rekenplichtige stukken van de stad Brussel (1500-1794)’, in: Eigen Schoon en De Brabander 81 (1998), p. 365-400.

[1] P. De Ridder, ‘De resolutieboeken van de magistraat en het taalgebruik te Brussel (1551-1794)’, in: Eigen Schoon en De Brabander 85 (2002), p. 375 en volgende (ter perse).

[1] Pergameni, Les archives historiques, p. 67-68. Brussel, Stadsarchief, Oud archief nrs. 1252-1285, 1290-1291, 2703-2705 (al deze stukken werden onderzocht de resultaten worden eerlang gepubliceerd).

[1] P. De Ridder, ‘De verspreiding van de franstalige minderheid over het territorium van de stad Brussel (ca. 1650-1770)’, in: Eigen Schoon en De Brabander 84 (2001), p. 87-168 en P. De Ridder, ‘De verspreiding van de franstalige minderheid over het territorium van de stad Brussel (ca. 1770-1794)’, in: Eigen Schoon en De Brabander 84 (2001), p. 505-550.

[1]P. De Ridder, ‘De stedelijke gerechtelijke archieven en het taalgebruik te Brussel (vóór 1794)’, in: Eigen Schoon en De Brabander 83 (2002), p. 279-345.

[1] Pergameni, Les archives historiques, p. 415-417 en Brussel, Stadsarchief, nrs. 920-950.

[1] Pergameni, Les archives historiques, p. 76-78 en Brussel, Stadsarchief, nrs. 1681-1711 en 2972.

[1] P. De Ridder, Inventaris van het oud archief van de kapittelkerk van Sint-Michiel en Sint-Goedele te Brussel. Brussel, 1987-1988, 3 dln. (Algemeen Rijksarchief, Inventarissen, nr. 239) en P. De Ridder, ‘De «acta capitularia» van Sint-Goedele als bron voor de studie van het taalgebruik te Brussel (1370-1786)’, in: Album Carlos Wyffels. Brussel, 1987, p. 139-148.

[1] P. De Ridder, ‘Taalgebruik bij de lakengilde, de ambachten, de naties en de sermenten van de stad Brussel (1500-1794)’, in: Eigen Schoon en De Brabander 79 (1996), p. 365-428.

[1] P. De Ridder, ‘De archieven van de hospitalen, godshuizen en liefdadigheidsinstellingen en het taalgebruik te Brussel (vóór 1794)’, in: Eigen Schoon en De Brabander 83 (2000), p. 1-59.

[1] De Ridder, ‘Peilingen naar het taalgebruik in Brusselse stadscartularia’, p. 14-18.

[1] Kurth, De l’emploi officiel des langues, p. 61 en De Ridder, ‘De archieven van de hospitalen’, p. 57.

[1] De Ridder, ‘Een mythe die stand houdt’, p. 25.

[1] De Ridder, ‘Een mythe die stand houdt’, p. 25.

[1] De Ridder , ‘Onderzoek naar het taalgebruik in de archieven der Brusselse schepengriffies’, p. 354-355.

[1] De Ridder, ‘Een mythe die stand houdt’, p. 29; De Ridder, ‘De archieven van de hospitalen’, p. 34; De Ridder, ‘Centralisatie en verfransing’, p. 180.

[1] De Ridder, ‘Taalgebruik bij de lakengilde’, p. 395, 404-405, 415, 419, 426.

[1] Zie onder meer H. Soly & A. Thijs (red.), Minderheden in Westeuropese steden (16de -20ste eeuw). Minorities in Western European cities (sixteenth-twentieth centuries. Brussel-Rome, 1995 (Belgisch Historisch Instituut te Rome, Bibliotheek, XXXIV).

[1] M. Battistini, La confrérie de Sainte-Barbe des Flamands à Florence. Documents relatifs aux tisserands et aux tapissiers. Brussel, 1931 (Koninklijke Commissie voor Geschiedenis, in- 8°), p. 7, 13.

[1] Zie onder meer J. Marechal, Europese aanwezigheid te Brugge. De vreemde kolonies 14de 19de eeuw. Brugge, 1985 (Brugge, Genootschap voor geschiedenis, Vlaamse Historische Studies, nr. 3); E. Coornaert, Les Français et le commerce international à Anvers (fin du XVe – XVIe siècle). Parijs, 1961, 2 dln. en De Ridder, ‘De Brusselse taaltoestanden in Europees perspectief’, p. 381-384.

[1] De Ridder, ‘De Brusselse taaltoestanden in Europees perspectief’, p. 385-386.

[1] Descritione di M. Lodovico Guicciardini, Patritio Fiorentino di tutti i Paesi Bassi altrimenti detti Germania inferiore. In Anversa, 1547, p. 110.

[1] F. Prims, ‘De verfransching van Antwerpen in de 16de eeuw’, in: Antwerpiensia, 1939, p. 177.

[1] Des Cressonnieres, Essai sur la question des langues, p. 255.

[1] De Ridder, ‘Verfransingsmechanismen’, p. 116; De Ridder, ‘The use of languages’, p. 163; De Ridder, De archieven van de hospitalen’, p. 54-55; De Ridder, ‘Taalgebruik bij de lakengilde’, p. 404-405, 419.

[1] Brussel, Stadsarchief, Oud archief, nr. XIII (Cleyn Swertboeck) en nr. XVII ‘Geel Correctieboeck’. Zie verder De Ridder, ‘De Brusselse taaltoestanden in Europees perspectief’, p. 390-391.

[1] Verlooy, Verhandeling, p. 33-34.

[1] P. De Ridder, ‘De archieven van de hospitalen’, p. 18-20 en p. 57-58.

[1] Cosemans, ‘Bestuur, gezelschapsleven’, p. 49.

[1] P. De Ridder, ‘De publicatieboeken van de stad Brussel’, p. 165.

[1] Van den Bruwaene, Le français à Bruxelles, p. 147-150. De Ridder, ‘De Brusselse taaltoestanden in Europees perspectief’, p. 370.

[1] Verlooy, Verhandeling, p. 34.

[1] Cosemans, ‘Bestuur, gezelschapsleven’, p. 36.

[1] Cosemans, ‘Bestuur, gezelschapsleven’, p. 37.

[1] C. Maroy, ‘Les séjours de Voltaire à Bruxelles’, in: Annales de la Société Royale d’Archéologie de Bruxelles 19 (1905), p. 291.

[1] Brunot, Histoire de la langue française, dl. VIII, p. 580.

[1] De Ridder , ‘De verspreiding van de franstalige minderheid … (1770-1794)’, p. 546-548.

[1] De Ridder, Nieuw licht op J.B.C. Verlooy, p. 30.

[1] De Ridder, ‘Een mythe die stand houdt’, p. 34.

[1] E. Hubert, Correspondance des ministres de France accrédités à Bruxelles de 1780 à 1790. Brussel, 1920 (Koninklijke Commissie voor Geschiedenis, in 4°), p. 330.

[1] Verlooy, Verhandeling, p. 33.

[1] Geciteerd door De Ridder, ‘Onderzoek naar het taalgebruik in de archieven der Brusselse schepengriffies’, p. 362.

[1] B. de St.-Genois (ed.), Dagboek van Jan de Pottre, 1549-1602. Naer het oorspronkelyk handschrift in de Koninglyke Bibliotheek te Brussel berustende, (Maetschappy der Vlaemsche Bibliophilen, 3e serie, nr; 5), Gent, [1861], p. 58, 66, 81 Zie ook J. Stengers, Histoire du sentiment national en Belgique des origines à 1918. Tôme 1, Les racines de la Belgique jusquè à la Révolution de 1830. Brussel, 2000.

[1] Kurth, De l’emploi officiel des langues, p. 61.

[1] De Ridder, ‘Taalgebruik bij de lakengilde’, p. 419 en De Ridder, ‘De archieven van de hospitalen’, p. 54-55.

[1] De Ridder , De «Acta Capitularia»’, p. 139.

[1] Sabbe, ‘Een en ander over letterkunde en taaltoestanden’, p. 215-216.

[1] Des Cressonnieres, Essai sur la question des langues, p. 333.

[1] De Ridder, ‘De archieven van de hospitalen’, p. 58-59.

[1] Des Cressonnieres, Essai sur la question des langues, p. 332.

[1] Des Cressonnieres, Essai sur la question des langues, p. 341-344.

[1] Brussel, Stadsarchief, Oud archief, lias nr. 616; De Ridder, ‘Taalgebruik bij de lakengilde’, p. 427-428.

BELGIE HEEFT BRUSSEL VERFRANST

Brussel is nooit een Vlaamse stad geweest.

 

Net als Leuven, Antwerpen, Lier, Turnhout, ‘s Hertogenbosch, Breda, Tienen, Zoutleeuw, Nijvel… was Brussel immers een Brabantse stad.

 

Precies daarom bleef Brussel eeuwenlang heel wat Neder-landser dan Vlaamse steden als Brugge, Gent en Ieper.

 

In Vlaanderen dat van Frankrijk afhing, stond het Frans immers sterker dan in Brabant dat tot het middeleeuwse Duitse Rijk behoorde.

 

Onder het Bourgondische Bewind (1406-1482) vestigden zich te Brussel een beperkt aantal edelen en hovelingen.

 

De centrale administratie van de Bourgondiërs - die overigens ook over Holland, Zeeland en Friesland regeerden - verliep in het Frans.

 

Dit leidde overigens tot een zekere “taalgevoeligheid”. De Franse kroniekschrijver Jean Molinet verklaart in 1488 dat de Brusselaars de Walen en Fransen haatten omwille van hun taal….

 

Vanaf 1482 nemen de Habsburgers de macht over in de Nederlanden. Zowel de Spaanse (1482-1713) als de Oostenrijkse Habsburgers (1713-1794) behielden   het Frans als de taal bij uitstek voor de centrale instellingen. Die waren sinds 1531 grotendeels te Brussel gevestigd.

 

Toch kregen slechts weinig Brusselaars rechtstreeks te maken met de vorstelijke hofhouding, met de Raad van State, de Geheime Raad en de Raad van Financiën.

 

Wanneer een inwoner van Brussel al eens contact had met de overheid dan was dat vrijwel altijd het stedelijke college van wethouders, schepenen en gezworenen.

 

Welnu: zowel in het stadsbestuur net als in de andere plaatselijke instellingen (ambachten, rederijkerskamers, kerken, kloosters, gast- en de godshuizen) is het Nederlands de voertaal gebleven tot aan de Franse Bezetting (1792-1815).

 

Rond 1740 riep de Franse filosoof  Voltaire dan ook verontwaardigd uit: “Le diable qui dispose de ma vie, m’envoie à Bruxelles et songez-s’il vous plaît. Il n’y a à Bruxelles que des Flamands”.

 

Tijdens de 17de en 18de eeuw genoot het Frans overal in Europa hoog aanzien.

 

Ook in de Zuidelijke Nederlanden poogden een aantal welstellende burgers de Franse levensstijl na te bootsen.

 

De Oostenrijkse keizer Jozef II verklaarde dan ook “Les habitants de Bruxelles et des Pays-Bas sont des imitateurs de leurs voisins. Le fond est Hollandais (sic !) et le vernis Français”.

 

In de beroemde “Verhandeling op d’onacht der moederlyke tael in de Nederlanden” (1788) schrijft de Brusselse advocaat J.B.C. Verlooy dat 95 % van de bevolking van Brussel Nederlands spreekt.

 

M.a.w. vlak vóór het begin van de Franse Bezetting (1792) wonen er te Brussel ca. 5 % franstaligen.

 

Het gaat vooral om edelen en vermogende burgers die zich gevestigd hebben in de buurt van de Koudenberg en de Zavel.

 

Uitgerekend in die “Hoffwijck” werden vanaf 1775 grootschalige infrastructuurwerken uitgevoerd. De Oosten-rijkse Habsburgers lieten toen de ruïnes slopen van het in 1731 door brand vernielde paleis.

 

Verlooy zag met eigen ogen hoe er in de buurt van het classicistische “Lotharingenplein” (het huidige “Koningsplein”) een exclusieve wijk groeide.  

 

De centrale overheid bood er een hele reeks gronden te koop aan. De prijzen voor de kavels rond het nieuwe stadspark lagen zeer hoog. Een gewone Brusselaar was niet in staat hier een stuk grond te kopen.

 

Alleen edellieden en zeer vermogende burgers konden dat nog doen. Het valt trouwens op dat vrijwel alle verkoopsakten van de huizen en gronden rond de “Warande” in het Frans zijn opgesteld.

Elders in Brussel echter verliepen soortgelijke transacties vrijwel altijd in het Nederlands.

 

Kortom op het einde van de 18de eeuw was J.B.C. Verlooy in de “Hoffwijck” getuige van een kras staaltje van “sociale verdringing”.

 

In de daaropvolgende decennia - en dit tot op de huidige dag - zal dit verschijnsel telkens weer opduiken: eerst in “Brussel stad”, later in een steeds groter aantal landelijke gemeenten van het Brabantse “ommeland”. Telkens was de gewone man daarvan het slachtoffer.

 

Verlooy revolteerde. Die sociaal bewogen intellectueel legde zich niet neer bij dit “natuurlijk” proces waarbij de sterkere de zwakkere verdrong.

 

De rationele denker greep naar de pen. Verlooy die vertrouwd was én met de Brabants-Nederlandse constitutionele tradities én met het gedachtegoed van de vrijmetselarij voltooide in 1780 zijn beroemde “Verhandeling op d’onacht der moederlyke tael in de Nederlanden”. Pas acht jaar later (in 1788) kon hij dit opstandige geschrift laten drukken.

 

In die “Verhandeling” komen de basisideeën van Verlooy tot uiting: mensen kunnen pas ten volle participeren aan het bestuur van een land wanneer zij dit probleemloos in hun eigen taal kunnen doen.

 

Met andere woorden: de democratisering van de samenleving vergt de herwaardering van de eigen taal, cultuur en identiteit.

 

In 1792, amper vier jaar nadat Verlooy’s “Verhandeling” verscheen, werden de Zuidelijke Nederlanden onder de voet gelopen door de Franse legers.

 

Vanaf 1795 werd dit gebied geannexeerd bij Frankrijk. Het Frans Bewind kreeg meer dan twintig jaar (1794-1815) de tijd om een systematische verfransing door te voeren.

 

De in die periode gevormde franstalige ambtenaren hebben onder het Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) een belangrijke politieke rol gespeeld.

 

Zij stonden vooraan in de strijd tegen koning Willem I.

 

Die “Hollandse” vorst poogde in de Zuidelijke Nederlanden het Nederlands opnieuw zijn rechtmatige plaats terug te geven. Hij had er heel wat voor over om dit gebied op hetzelfde niveau te brengen als de sinds 1585 onafhankelijke Noordelijke Nederlanden. Willem I mislukte in zijn opzet.

 

In 1830 kwam … door separatisme “België” tot stand.

 

Na 1830 werd Brussel de hoofdstad van de gecentraliseerde Bel­gische Staat. Slechts 0,75 % van de bevolking had toen stemrecht: enkel diegenen die rijk genoeg waren en voldoende belastingen betaalden (“cijnskiesrecht”).

 

Door dit  ondemocratische systeem kon de bourgeoisie heel het land domineren.

 

De omgangstaal van die gegoede bovenlaag was het Frans, ook in het Nederlandstalige deel van België. De burgerij twijfelde er geen seconde aan dat de voertaal van het nieuwe België het Frans moest zijn.

 

Het “Vlaams” beschouwden zij als een allegaartje van schabouwelijke dialecten, in de verste verte niet te vergelijken met het Frans, de enige echte en universele cultuurtaal.

 

Toch was het Belgische regime er niet op uit om het Neder-lands zondermeer uit te roeien. De Franse bezetter had tussen 1792-1815 immers vastgesteld dat een dergelijk beleid verzet opriep, met name in Brussel.

 

Daarom pakten de nieuwe Belgische machthebbers het veel handiger aan. Zij zwaaiden met nobele principes zoals “de rechten van de mens” en “de vrijheid van taal”. De burgers moesten overal “vrij” zijn om “de taal van hun keuze” te spreken.

 

Rekening houdend met de toenmalige machtsverhoudingen in België zou een dergelijke “vrijheid” er in de kortste keren voor zorgen dat het Frans overal de bovenhand kreeg. Dat wist de bourgeoisie maar al te goed.

 

Overigens gold de zogezegde “vrijheid” (in feite het recht van de sterkste) niet alleen op het vlak van het taalgebruik als opperste goed maar ook in andere domeinen van het maatschappelijk leven.

 

Zo moesten ondernemers en industriëlen “vrij” en ongehinderd hun gangen kunnen gaan. Alleen zo kon er de grootste winst worden gemaakt.

 

Dat de arbeiders ondertussen moesten zwoegen voor een hongerloon en bijna omkwamen van de miserie was uiteraard volslagen onbelangrijk.

 

Meer nog ! Men kon dit ook positief bekijken. Zo vond de katholieke politicus Woeste het noodzakelijk dat er arme mensen waren. Op die manier kregen de bemiddelde burgers immers de gelegenheid om de deugd van de liefdadigheid te beoefenen…

 

Meer verlichte geesten stapten echter niet mee in een dergelijke logica. Zij streefden naar een meer democratische samenleving.

 

Net als de Franse predikant Lacordaire beseften zij maar al te goed dat - bij ongelijke machtsverhoudingen - de “vrijheid” er voor zorgt om de zwakkere uit te schakelen. Lacordaire verklaarde reeds in 1848: “Entre le fort et le faible, entre le riche et le pauvre, entre le maître et le serviteur, c'est la liberté qui opprime et la loi qui affranchit”.  

 

Daarom drongen de democraten aan op wetten. Die moesten de willekeur van de sterkste aan banden leggen.

 

Dit laatste vormde echter voor de francofone bourgeoisie een flagrante schending van de “rechten van de mens”, een onduldbare inbreuk op de “vrijheid”. Ettelijke jaren heerste in België dan ook de grootst mogelijke taalvrijheid.

 

In naam van dat nobele beginsel werden de Nederlandstaligen bestuurd in een taal die de bevolking niet begreep.

 

Administratie, onderwijs, gerecht, verliepen grotendeels in het Frans. Ook vele opschriften in steden als Antwerpen, Leuven, Lier, Gent, Brugge, Kortrijk, Hasselt … waren in die taal  gesteld. 

 

Mensen uit Wal­lonië (en zelfs uit Frankrijk) kregen posten tot in de verste uithoeken van de Kempen en West-Vlaanderen.

 

De lokale bevolking moest het stellen met Nederlandsonkun-dige rechters, belastingsontvangers, stationschefs enz. De eenvoudige lieden mochten al zeer blij zijn dat zij in het Nederlandse taalgebied een paar faciliteiten in het “Vloms” kregen.

 

Toch hoedden de Belgische machthebbers er zich voor om de Brabanders, Vlamingen en Limburgers al te zeer voor het hoofd te stoten. Af en toe reikten zij  zelfs prijzen uit voor wedstrijden in het “Vlaams”.

 

Zolang het immers bij folklore en “couleur locale” bleef, waren hun machtsposities niet bedreigd. Alles wees er trouwens op dat “le Flamand” binnen een paar jaar vanzelf zou uitsterven zoals in Frans-Vlaanderen.

 

De heersende klasse wekte dan ook de indruk zich “groot-moedig” op te stellen. In werkelijkheid echter koesterde zij voor de gewone man en zijn taal een aan racisme grenzend misprijzen.

 

Vele Nederlandstaligen probeerden dan ook om zo snel mogelijk Frans te leren. De kennis van die taal vormde immers de voorwaarde bij uitstek om promotie te maken op de sociale ladder.

 

Na verloop van tijd riep de verder schrijdende denationali-sering echter meer en meer verzet op. Sociaal bewogen intellectuelen streden voor de erkenning van het “Vlaams” naast het Frans.

 

Eigenlijk gedroegen de eerste “flaminganten” zich als Belgische superpatriotten. Zij waren vurige voorstanders van een tweetalig België.

 

Vrij snel echter zou blijken dat uitgerekend de Franstaligen daarvan hoegenaamd niet wilden weten.

 

Vlaanderen moest natuurlijk tweetalig zijn. Maar in Wallonië was voor “le Flamand” geen plaats.

 

Jules Destrée schreef letterlijk dat de Walen voor die taal een diepgewortelde en instinctieve afkeer koesterden (“une répugnance instinctive et profonde”).      

 

Ettelijke decennia heeft de zgn. "Vla­amse Beweging" moeten strijden voor het elementaire mensenrecht dat een volk op zijn eigen territo­rium in zijn eigen taal zou kunnen leven en be-stuurd worden door eigen democra­tisch verkozen regeerders.

 

Vooral vanaf het einde van de 19de eeuw konden de Nederlandstaligen een aantal taalwetten afdwingen.

 

De toepassing ervan liet zeer veel te wensen over. Toch steigerden de Franstaligen telkens weer over die “onduldbare aanslag op de vrijheid”.

 

Meer nog ! Volgens hen hielden de Nederlandstaligen er een “geheime agenda” op na. Zij zouden in feite aansturen op “het uiteenvallen van het land”.

 

Die bewering was uiteraard volslagen onzinnig aangezien, zeker in die tijd, uitgerekend de Nederlandstaligen de Belgische patriotten bij uitstek waren.

 

Overigens zou weldra blijken dat een andere ontwikkeling een veel grotere dreiging inhield voor de eenheid van België.

 

Er tekende zich immers steeds sterker een sociaal-econo-mische tweedeling af. Wallonië kende reeds een eerste  industrialisering op het einde van de 18de eeuw.

 

“Vlaanderen” - zoals men het Nederlandse deel van België op het einde van de 19de eeuw begon te noemen - bleef nog lange tijd vrij agrarisch. Die economische tweespalt had ook ingrijpende sociale en politieke gevolgen.

 

In de Waalse grootschalige bedrijven groeide een militant arbeidersproletariaat. De socialistische partij kreeg er greep op de brede lagen van de bevolking. Het nog grotendeels landelijke “Vlaanderen” met de eerder kleinschalige bedrijven was veel minder vatbaar voor het socialisme.

 

De Vlamingen stuurden vooral katholieken en liberalen naar het parlement en de gemeenteraad.  

 

De “Vlaamse Beweging” had lange tijd vrijwel alleen belangstelling voor taal en cultuur. Haar voormannen - veelal afkomstig uit de kleine burgerij - bekommerden zich minder voor de sociale problematiek.

Pas op het einde van de 19de eeuw zagen mensen als Lodewijk De Raet, Mac Leod en ook Daens, in, dat er een band bestond tussen “taalbelang” en “stoffelijk belang”.

 

Voorlopig echter hadden de Vlaamsgezinden nog niet veel directe politieke invloed. De brede lagen van de bevolking hadden immers geen stemrecht.

 

De in het Nederlandse deel van België verkozen politici moesten maar weinig rekening met de “Vlaamse eisen”. Veel van die parlementairen behoorden trouwens nog altijd tot de francofone bourgeoisie.

 

In 1893 werd - vooral onder druk van de Waalse socialisten - het algemeen meervoudig stemrecht ingevoerd. Die hervorming gaf een krachtige impuls aan de “Vlaamse Beweging”.

 

Omdat de gewone man nu stemrecht had gekregen, waren de politici wel verplicht rekening te houden met de wensen van de stemgerechtigde bevolking.

 

Bovendien moesten zij - om verkozen te raken - hun potentiële kiezers benaderen in een taal die deze mensen konden begrijpen.

 

De gevolgen bleven niet uit. Amper vijf jaar na de invoering van het algemeen meervoudig stemrecht keurde het Belgisch parlement onder Vlaamse druk de zgn. “Gelijkheidswet” (1898) goed.

 

Die wet vormde een zware psychologische slag voor de franstaligen. België zou niet uitgroeien tot het Frans-ééntalige land waarvan zij steeds hadden gedroomd. Echo’s van die frustratie weerklinken onder meer in de fameuze “Lettre au roi” (1912) van Jules Destrée: “Ils nous ont pris la Flandre”.

 

Tot vandaag werkt dit trauma nog altijd door in de psycho-logie van de franstaligen.   

 

Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) raakten de tegenstellingen tussen Frans- en Nederlandstaligen nog verder aangescherpt.

 

Reeds bij het begin van de oorlog verklaarden de franstaligen triomfantelijk: “Après la guerre on ne parlera plus Flamand !”.

 

In de loopgraven aan de IJzer ondervonden de eenvoudige volksjongens nu aan den lijve hoe het francofone België over hen dacht.

 

Diegenen die de oorlog overleefden, deden daarover hun verhaal bij hun terugkeer thuis. Meer en meer mensen beseften dat de Vlaamse Beweging geen wereldvreemde liefhebberij was van een handvol romantische “taelminnaeren”. De publieke opinie raakte meer en meer geradicaliseerd.

 

Maar in 1914 was er echter nog iets anders gebeurd dat een enorme impact zou hebben op het Belgische nationaliteiten-vraagstuk.

 

Dat jaar stemde het parlement de algemene leerplicht. Dit gebeurde in België rijkelijk laat. De goedkeuring van die wet stuitte trouwens op heel wat verzet van de conservatieven. Volgens hen druiste de “leerplicht” in … tegen de “vrijheid”.

Het vormde een flagrante schending van de mensenrechten. Men kon een huisvader toch niet verplichten  zijn kinderen naar school te sturen. Het gezinshoofd moest toch “vrij” zijn om van zijn kinderen analfabeten te maken.

 

Zolang er geen algemene leerplicht bestond, kon het Frans niet doorstoten in de brede lagen van de bevolking. Dit heeft zeer belangrijke gevolgen gehad.

 

Historici en sociologen zijn er immers van overtuigd dat, indien men in België al kort na 1830 de leerplicht zou hebben ingevoerd, heel Nederlandstalig België vandaag diepgaand verfranst zou zijn geweest.

 

Inderdaad. In die tijd had de “Vlaamse Beweging” nog maar bitter weinig invloed. De dominantie van het Frans was verpletterend. Had men toen een algemene leerplicht (in het Frans) opgelegd dan waren al de Vlaamse dialecten in de kortste keren van de kaart geveegd.   

 

Door zo lang te wachten met de invoering van de leerplicht hebben de francofone machthebbers de kans verkeken om het Nederlands volledig uit te schakelen.

 

In 1914 bleek het immers niet meer mogelijk om heel het openbaar leven enkel en alleen in het Frans te laten verlopen.

 

Hoe zwak de Vlaamse Beweging op de vooravond van de Eerste Wereldoorlog nog altijd was toch had zij al een aantal bescheiden successen behaald. De eerste taalwetten - hoe onvolkomen ook - hadden al enigermate het bestaansrecht van het Nederlands gevrijwaard.

 

Dank zij de invoering van de leerplicht genoten voortaan alle kinderen tussen zes en twaalf jaar onderwijs. Dat gebeurde stilaan meer en meer in het Nederlands.

 

Voortaan groeiden er generaties op van geschoolde Neder-landstaligen. Uiteindelijk konden de francofonen ook de vernederlandsing van het hoger en universitair onderwijs niet blijven tegenhouden (vernederlandsing van de universiteit van Gent in 1930).

 

Wat J.B.C. Verlooy al had voorzien op het einde van de 18de eeuw, gebeurde.

 

Wie onderwijs had genoten in het Nederlands, legde zich niet langer neer bij de discriminaties waarvan hij tot dan toe het slachtoffer was.

 

Meer en meer mensen eisten hun rechten op in het bedrijfsleven, in de staatsadministratie en in de politiek. De democratisering zette zich steeds sterker door.

 

De francofonen verloren stilaan hun privileges en raakten steeds meer gefrustreerd om de verloren machtsposities en privileges.   

 

Omdat de Walen hardnekkig de tweetaligheid van Wallonië bleven afwijzen, groeide België uit tot een land met twee onderscheiden territoria: een ééntalig Nederlands gebied ("Vlaanderen"), een ééntalig Frans gebied ("Wallonië") en een zogezegd “tweetalig” gebied (Brussel).

 

Dit werd officieel bekrachtigd door de taalwet van 1932. Van toen af groeide het Nederlands stilaan uit tot de officiële taal in het Nederlandstalige deel van België.

 

Na de Tweede Wereldoorlog verplaatste het economische zwaartepunt in België zich volop van Wallonië naar Vlaanderen.

 

Ook dit kwam bijzonder hard aan. De Walen hadden immers decennialang neergekeken op de Vlamingen.

 

Op de koop toe bracht die verschuiving ook ingrijpende politieke gevolgen mee. Vlaanderen bleef niet langer het “arme broertje” maar eiste zijn rechtmatige plaats op.

 

In 1963 werd de taalgrens vastgelegd, vijf jaar later moest de “Université Catholique de Louvain” vanuit Leuven verhuizen naar Waals-Brabant (1968).

 

De francofone bourgeoisie in Vlaanderen legde zich noodgedwongen neer bij het verlies van haar vroegere privileges.

 

Een aantal van die mensen verhuisden verbitterd en gefrustreerd naar Wallonië of naar Brussel. Daar droomden zij met heimwee van het “België van weleer”.

 

Zij legden er de basis voor een virulent anti-Vlaams Belgicisme. De echo’s hiervan weerklinken tot vandaag constant in de Franstalige media.

 

 

Toch hadden de Vlamingen nooit naar “vergelding” gestreefd. Niemand was er ooit op uit om de Walen eens te behandelen op dezelfde manier als de francofonen decennialang hadden gedaan.

 

De Nederlandstaligen hebben nooit geijverd voor het opleggen van het Nederlands in Doornik, Namen, Luik of Charleroi. Zij vroegen enkel drie dingen:

 

1) dat de Franstaligen eindelijk zouden ophouden aanspraak te maken op het Nederlandse taalgebied.

 

2) dat binnen de tweetalige hoofdstad Brussel de rechten van de Nederlandstaligen gerespecteerd zouden worden.

 

3) dat de Nederlandstaligen over de nodige autonomie zouden beschikken. Die autonomie moest hen in staat stellen om zelf een beleid te voeren, aangepast aan hun eigen specifieke noden en mogelijkheden.

 

Alleen zo konden zij immers bijdragen tot meer welvaart en welzijn en dit voor héél het land. Met andere woorden de Nederlandstaligen bleven nog  steeds  bereid tot een redelijke en doorzichtige solidariteit.   

 

Voor de franstaligen echter was dit ondenkbaar. Zij konden zich maar niet neerleggen bij de gewijzigde maatschappelijke verhoudingen en bij de democratisering. De echte noden van de gewone Walen interesseerden hen eigenlijk bitter weinig.

 

Hun aandacht ging eerst en vooral naar een voorbijgestreefde strijd voor de privileges van francofonen die Wallonië in de steek hadden gelaten om zich in Brussel en omgeving te vestigen.

 

Daarenboven moest ook de zogenaamde “nationale solidariteit” zonder enig voorbehoud behouden blijven.

 

Dit laatste was echter steeds minder mogelijk omwille van de economische crisis die kort na 1970 uitbrak. De stijgende olieprijzen, de concurrentie, de mundialisering en de vergrijzing maakten - meer dan ooit - een zeer efficiënt gebruik van het overheidsgeld noodzakelijk.

 

De tegenstellingen tussen Nederlands- en Franstaligen werden steeds groter, ook en vooral op terreinen die weinig of niets met “taal” te maken hebben.

 

Er was echter meer.   

   

Op het einde van de 20ste eeuw bleek uit verscheidene weten-schappelijke studies nog een ander feit: Nederlandstaligen ("Vlamingen") en franstaligen ("Walen") spreken niet alleen een verschillende taal.

 

Zij huldigen ook uiteen­lopende op­vattingen inzake tal van maat­schappe­lijke pro­blemen (rol van de overheid in economisch be­leid, gebruik van ziekte‑ en invaliditeits-verzeke­ring, ethi­sche aan­gelegenheden, de organisatie van gerecht en poli­tie, enz.).

 

België wordt m.a.w. niet zozeer met een "taal­pro­bleem" geconfronteerd maar veel­eer met een nationalitei­tenvraagstuk.

 

Om in dergelijke omstandigheden het land in stand te houden zijn er ingrijpende institutionele her­vormingen nodig.

 

Inderdaad. Precies door aan Frans- en Nederlandstaligen rui­mere be­voegdheden te verlenen, kan men mogelijke wrij­vingspunten tot een minimum be­perken.

 

Onder druk van het groeiende politieke bewustzijn moest de unitaire Belgische Staat steeds meer autonomie verlenen aan de twee volkeren die op zijn territorium leven.

 

Die “vreedzame revolutie” gebeurde door een aantal, elkaar in steeds sneller tempo opvolgende, staatshervormingen. De staatshervorming van 1970-1971 verleende culturele autono­mie aan de Neder­landstali­gen, de Franstaligen en de Duits­taligen.

 

Amper tien jaar later moest de grondwet opnieuw herzien worden. In 1980 werd erkend dat België bestaat uit drie gewesten: Vlaanderen, Wallonië en Brus­sel.

 

Omdat de soci­aal economische opvattingen van Vlaan­deren en Wallonië sterk uit­eenlopen, kregen beide gewes­ten de macht om een eigen beleid te voeren dat aansluit bij de eigen inzichten.

 

Vrij snel bleek dat ook die ingreep niet ver genoeg ging. De grond­wetsherziening van 1988-1989 maakte Vlaanderen en Wallo­nië bevoegd voor onder­wijs, cultuur, econo­misch beleid, leef­milieu, openbare werken en vervoer.

 

De staats­hervorming van 1993 - de vierde sinds 1970 - erkende uitdrukkelijk dat België een fede­rale staat is waar een groot deel van de macht berust bij de Gemeenschappen (Nederlandse, Franse en Duitse) en de Gewes­ten (Vlaanderen Wallonië en Brussel).

 

Zowel Vlaande­ren, Wallonië als Brussel beschikken over een eigen recht­streeks verk­ozen parlement. Die democra­tische instel­lingen kunnen voort­aan eigen­mach­tig - zonder voogdij van de Belgische over­heid - beslis­sen zowel over onderwijs, cul­tuur, economie, openbare werken en vervoer alsook over inter­natio­nale handel, leef­mi­lieu, toe­risme, land­bouw en weten­schapsbe­leid.

 

Bovendien werd op 1 janu­ari 1996 de twee­talige provin­cie Bra­bant gesplitst in een ééntalig Frans deel en in een ééntalig Neder­lands deel.

 

Het "Brusselse Hoofd­stedelij­ke Gewest" vormt een tweeta­lige enclave binnen de nieuwe - éénta­lig Nederlandse - provincie Brabant. Het tweetalige kiesarrondissement  Brussel-Halle-Vilvoorde werd evenwel nog altijd niet gesplitst.  

 

Doordat zeer uitgebreide bevoegdheden van het federale niveau werden overgeheveld naar de deelstaten begint België een aantal confederale trekken te vertonen.  

 

In Brussel echter heeft de democratisering zich niet op dezelfde wijze doorgezet als elders in België.

 

BRUSSEL HET KIND VAN DE REKENING

 

Separatisme zorgde er in 1830 voor dat het Koninkrijk der Nederlanden uiteenviel. De drijverijen van een kleine maar zeer actieve minderheid - waaronder heel wat Walen en Fransen - leidden tot het ontstaan van “België”.

 

Dank zij het ondemocratische cijnskiesstelsel had de francofone bourgeoisie de macht stevig in handen, ook in het Nederlandstalige deel van dit nieuwe land.

 

Hoewel de bevolking er Nederlands (dialect) sprak én er al eeuwenlang een Nederlandse bestuurstaal voorhanden was toch werd het Frans de enige officiële taal.

 

De Belgische machthebbers benoemden tot in de verste uithoeken van de Kempen en West-Vlaanderen ambtenaren die slechts gebrekkig of helemaal geen Nederlands kenden.

        

In Brussel, het politieke en economische machtscentrum bij uitstek van het francofone België, had - meer nog dan elders - Franstalige bedienden nodig.

 

Geschoold personeel was onontbeerlijk zowel voor de ministeries en overheidsdiensten als voor de banken, verzekeringen, drukkerijen, uitgeverijen enz. Talloze Walen konden hier aan de slag. Ook vele (vaak al min of meer verfranste) Vlamingen trokken naar Brussel.

 

Die stad kende dan ook - net als de andere Europese centra - tijdens de 19de eeuw een spectaculaire bevolkingsaangroei. 

          

In steden als Gent en Luik verrezen grote fabrieken waar honderden arbeiders werkten.

 

Van een dergelijke grootschalige industrialisering bleef Brussel gespaard. Met uitzondering van een gemeente als Molenbeek vond men hier eerder kleine en ambachtelijke bedrijven. De hoofdstedelijke bourgeoisie werd dus niet geconfronteerd met een strijdvaardig proletariaat.

 

In Brussel droomden de gewone mensen niet van de gewelddadige revolutie. Wel integendeel !

 

De lagere maatschappelijke groepen keken met ontzag op naar de gegoede klasse. Zij poogden de betere standen zoveel mogelijk te imiteren. Essentieel daarbij was de kennis van het Frans, het statussymbool van wie het gemaakt had in het leven.

 

Al wie wou opklimmen tot de “betere stand” moest er dus voor zorgen dat hij zo snel mogelijk Frans kon spreken. Het beheersen van die taal - ook al was het op z’n “Beulemans” - vormde immers de vereiste voor sociale promotie.

 

Zowel de autochtone Brusselaars als al de mensen die vanuit Brabant, Vlaanderen en Limburg naar de hoofdstad verhuis-den, kregen vanaf hun kinderjaren te horen dat zij “hun Frans moesten kennen”. Vele van die inwijkelingen waren dan ook reeds in hun geboortestreek al min of meer verfranst.  

 

Ondanks de enorme sociale druk toch bleef de grote meerder-heid van de Brusselaars nog lange tijd Nederlandstalig. Dit blijkt duidelijk uit de talentelling van 1846. Dit onderzoek werd uitgevoerd door de ambtenaren van het francofone België. Die hadden er alle belang bij om het aantal Franstaligen op te drijven. Toch sprak zelfs volgens die telling, niet minder dan 60,28 % van de Brusselse bevolking nog altijd Nederlands.  

 

In de bredere volkslagen zou de verfransing pas doorbreken op het einde van de 19de eeuw. Dit was onder meer het gevolg van grootschalige infrastructuurwerken.

 

Tussen 1866 en 1883 bouwde Poelaert op de Galgenberg het gigantische Justitiepaleis. Talloze huizen van gewone mensen gingen tegen de vlakte. De bewoners moesten andere oorden opzoeken.

 

Vanaf 1867 gebeurde hetzelfde aan de oevers van de Zenne. Burgemeester Jules Anspach had besloten de benedenstad te “saneren”. Dit leidde niet alleen tot de overwelving van de Zenne (1867-1871) maar ook tot de aanleg van de centrale lanen. Langs de nieuwe boulevards verrezen statige burgerhuizen en luxueuze winkels naar Parijs’ model.

 

In het gerenoveerde stadscentrum was er niet langer plaats voor de Brusselaars die daar al eeuwenlang woonden. Zij moesten uitwijken naar verder gelegen volkse gemeenten. Sommigen daarvan waren nog grotendeels landelijk (Ander-lecht). In andere had een eenvoudige arbeidersbevolking (Sint-Jans-Molenbeek) onderdak gevonden.

 

De inwijking van die half-verfransten vanuit Brussel stad ondermijnde er het Nederlands karakter van die dorpen.  

 

Zo’n honderd jaar eerder was J.B.C. Verlooy in de buurt van de Koudenberg en de Warande (1775-1785) getuige geweest van een kras staaltje van sociale segregatie.

 

Een gelijkaardig proces herhaalde zich op het einde van de 19de eeuw - op een veel grotere schaal - in de benedenstad en in de “Marollen”. Ook nu betaalden de gewone Brusselaars weer het gelag. De verfransing deinde verder uit.

 

De “Vlaamse Beweging” was op dat moment nog veel te zwak om in Brussel het tij te kunnen keren. Weliswaar hadden de Vlaamsgezinden - met veel moeite overigens - een aantal taalwetten gestemd gekregen in het parlement.

 

Die hadden echter niet veel om het lijf. Men moest immers steeds de instemming verkrijgen van de Franstaligen: niet alleen die uit Wallonië maar ook die uit Brussel en Vlaanderen.

 

De gevolgen laten zich raden.

 

De oorspronkelijke al zeer gematigde wetsvoorstellen werden tijdens de parlementaire behandeling steeds sterker afgezwakt.

 

Bovendien golden de taalwetten vaak niet eens voor Brussel, de plaats waar zij nochtans het meest nodig waren. Erger nog ! Om in het Belgische parlement de taalwetten te laten goedkeuren, deden de Vlaamsgezinden telkens weer toegevingen aan de Franstaligen in Brussel en omgeving.

 

Die Brabantse stad werd dan ook meer en meer losgelaten en overgeleverd aan de verfransing.

 

Kortom: Vlaanderen ontvoogdde zich op de kosten van Brussel.    

 

Ofschoon de meerderheid van de bevolking van de stad Brussel nog lange tijd Nederlandstalig was toch beschouwden ook de Vlamingen de hoofdstad van bij het begin als een “ville mixte” waar “taalvrijheid” moest heersen.

 

Zij streefden ernaar om van de Nederlands-ééntaligen zo snel mogelijk goede “tweetaligen” te maken.

 

Gevolg: de Franstaligen waren minder dan ooit geneigd om Nederlands te leren.

 

Telkens weer luidde het: “Mais puisque toi tu parles le Français pour quoi moi j’apprendrais encore le Flamand ? ”   

 

De gevolgen waren dan ook spectaculair. Zeker vanaf 1914 toen men in België de leerplicht invoerde.

 

Dank zij het algemeen verplicht onderwijs (dat in Brussel uiteraard in het Frans gegeven werd) kon de verfransing nu volop doorstoten in de brede lagen van de bevolking.

 

Op nog geen drie generaties raakten oorspronkelijk Neder-landstalige gezinnen volledig verfranst.

 

Dit proces verliep als volgt: de grootouders spraken enkel hun vertrouwde Brabantse dialect en kenden vrijwel geen Frans.

 

Om in het francofone België de toekomst van hun kinderen te garanderen, stuurden zij hun kroost naar Franstalige scholen. Die jongens en meisjes kregen dus hun volledige opleiding in het Frans. Met hun ouders spraken zij nog altijd Brussels dialect. Maar wanneer zij echter zelf vader en moeder geworden waren, dan hanteerden zij met hun eigen kinderen enkel nog Frans. Dit had als concreet gevolg dat de grootou-ders vaak niet meer in staat waren hun eigen kleinkinderen te verstaan.

 

Voor de aanhangers van de Belgische taalideologie vormden dergelijke schrijnende toestanden geen enkel probleem. Wel integendeel !

 

Volgens de voorstanders van de “taalvrijheid” voltrok er zich een volkomen “normaal” proces.

 

Het Frans was immers een universele en superieure taal, in de verste verte niet vergelijkbaar met “le Flamand”, een onooglijk allegaartje van schabouwelijke dialecten. Het was dan ook niet meer dan billijk dat die superieure taal een inferieure taal verdrong.

 

Dit “natuurlijk” proces mocht geenszins verstoord worden door maatregelen om de sociaal zwakkeren te beschermen.

 

Precies daarom waren taalwetten, laat staan ingrijpende institutionele hervormingen, volkomen uit den boze.

 

Rond 1900 gingen een aantal Walen nog een stap verder. Zij verklaarden onomwonden dat de achterstand van de Vlamin-gen het fatale gevolg was van … “inferieure raskwaliteiten”.

 

De verfransing zette zich dan ook steeds sterker door. Dit fenomeen bleef overigens niet beperkt tot Brussel-stad. De ruimte binnen de tweede omwalling (de huidige “Kleine Ring”) raakte snel volgebouwd. Het toenemende verkeer maakte de historische stadskern steeds minder leefbaar.

Gegoede burgers weken  massaal uit naar het groene omme-land van Brussel.

 

Immobiliënspeculanten verkavelden er op grote schaal akkerland, weiden en bossen tot bouwgronden. De plaatselijke gemeentebesturen zorgden voor de aanleg van straten en rioleringen. Zij onthaalden die kapitaalkrachtige Franstalige inwijkelingen met open armen.

 

Veel van die Brabantse dorpen werden trouwens al generaties lang geregeerd door baronnen en graven. Die vurige Belgische patriotten kregen nu een uitgelezen kans om fortuinen te verdienen in de vastgoedsector. Ook de lokale  kerkfabrieken pikten af en toe een graantje mee.  

 

Dit alles had verstrekkende gevolgen. In een brede rand rond Brussel nam de segregatie toe: niet alleen sociaal maar ook geografisch.

 

Wat J.B.C. Verlooy al in 1780 had vastgesteld rond het stadspark, zette zich nu ook door in steeds meer Brabantse gemeenten. In het ommeland van Brussel ontwikkelde zich een duale samenleving. 

 

Enerzijds bleven er de historische dorpskernen waar eenvou-dige Brabantse mensen in bescheiden huizen woonden. Anderzijds hadden zich - volledig gescheiden van het oorspronkelijke centrum - nieuwe residentiële wijken ontwikkeld. Vermogende Franstaligen betrokken er riante villa’s. Die inwijkelingen hielden zich ver van de oorspronkelijke bevolking. Zij gedroegen zich enigermate als “kolonialen”. Geen haar op hun hoofd dacht er aan de taal van de autochtone bevolking te leren. Stel U voor !

 

Die welstellende bovenlaag vond het niet meer dan vanzelfsprekend dat zij in hun nieuwe gemeente overal en probleemloos in het Frans terecht konden. Niet alleen bij de plaatselijke winkeliers maar ook bij het gemeentebestuur, in het postkantoor en bij de belastingdiensten…

 

Telkens weer gold als argument: “Mais nous vivons quand même en Belgique !”

 

Meteen maakten zij duidelijk wat “België” in feite voor die mensen betekende (en nog steeds betekent): altijd en overal ongehinderd Frans mogen spreken. De plaatselijke bevolking stond permanent onder een zware sociale druk. De gevolgen bleven dan ook niet uit.  

 

Uit de volks- en talentellingen, georganiseerd tussen 1846 en 1947, blijkt dat steeds meer Brabantse dorpen rond Brussel verstedelijkt en verfranst werden. Op een paar jaar tijd raakte het Nederlands er totaal in de verdrukking.

 

Gemeenten als Etterbeek, Ukkel, Sint-Lambrechts-Woluwe, Sint-Pieters-Woluwe, Watermaal-Bosvoorde, Oudergem telden in 1846 nog meer dan 95 %  Nederlandstaligen. In 1947 echter waren die mensen in hun eigen gemeente een verdrukte minderheid geworden.

 

Toch zette de verfransing zich niet overal even snel en even sterk door. Gemeenten waar veel arbeiders woonden (bv. Sint-Jans-Molenbeek, Anderlecht en Jette) behielden langer hun Nederlands karakter.

 

Hetzelfde geldt ook voor de meer landelijke gemeenten zoals Evere, Ganshoren en Sint-Agatha-Berchem. Die werden trouwens pas in 1954 bij de tweetalige agglomeratie gevoegd.

 

 

Toch laat het eindresultaat aan duidelijkheid niets te wensen over.

 

Tussen1830 en 1954 heeft de Belgische “taalvrijheid” ervoor gezorgd dat niet minder dan 22 gemeenten losgemaakt werden uit het Nederlandse taalgebied en voorzien van een zogezegd “tweetalig” statuut.                

 

 

     1   Brussel (stad)                                450 ha 

     2   Laken                                             925 ha

3   Haren                                             583 ha.

4   Neder-Over-Heembeek                 622 ha  

     5   Elsene                                           647 ha. 

     6   Sint-Gillis                                       250 ha.

7   Etterbeek                                         316 ha.           

8   Schaarbeek                                      884 ha.          

9   Sint-Jans Molenbeek                       656 ha.           

10 Anderlecht                                    1778 ha.                   

11 Vorst                                               624 ha              

12 Watermaal-Bosvoorde                  1293 ha.             

13 Ukkel                                             2291 ha.             

14 Sint-Lambrechts-Woluwe               723 ha.           

15 Sint-Pieters-Woluwe                      885 ha.             

16 Koekelberg                                     117 ha.            

17 Jette                                                526 ha.                 

18 Evere                                              510 ha.             

19 Sint-Agatha-Berchem                    295 ha.             

20 Ganshoren                                      241 ha.              

21 Oudergem                                       903 ha.            

22 Sint-Joost-ten Node                        113 ha.             

                                                                                    

TOTAAL        15. 182 ha

 

Met andere woorden: in 1954 hadden de Nederlandstaligen reeds meer dan 15. 000 ha. van hun territorium afgestaan.

 

Die 22 gemeenten vormen vandaag het “tweetalige” Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

 

Maar daar bleef het niet bij. Bij het vastleggen van de taalgrens (1962-1963) maakten de Franstaligen andermaal gebruik van hun politieke, sociaal-economische en culturele machtsposities.

 

De Nederlandstaligen (niet de Franstaligen !) moesten voor de zoveelste maal blijk geven van “goede wil” en van “zin voor verantwoordelijkheid”. Het “Compromis van Hertoginnedal” verleende aan de franstaligen in zes bijkomende Brabantse gemeenten “faciliteiten”.

 

 

1)  Wemmel                                           874 ha.           

2)  Wezembeek-Oppem                         682 ha.           

3)  Linkebeek                                         415 ha.           

4)  Kraainem                                          580 ha.            

5)  Sint-Genesius-Rode                       2282 ha.                 

    6)  Drogenbos                                        248 ha.            

 

TOTAAL                                                 5. 081 ha.

 

Niet alleen politieke waarnemers maar ook gewone burgers maakten zich daarbij volgende bedenking: mensen die jarenlang pertinent geweigerd hadden zich te integreren zien hun asociaal en ondemocratisch gedrag beloond.

 

Bovendien bleek in de kortste keren dat die toegevingen allerminst bijdroegen tot een oplossing, laat staan tot een betere verstandhouding. Wel integendeel !

 

De zes faciliteitengemeenten raakten in de kortste keren diepgaand verfranst. Reeds ettelijke jaren beschouwen de Franstalige politici en media het als een regelrechte schande dat die gemeenten nog steeds tot het Nederlandse taalgebied behoren.

 

Steeds luider weerklinkt de eis om ook die gemeenten bij het “Brussels Hoofdstedelijk Gewest” te voegen.

  

Soortgelijke aanspraken worden vandaag trouwens ook geformuleerd ten aanzien van een hele reeks andere gemeenten: Dilbeek, Asse, Lennik, Sint-Pieters-Leeuw, Halle, Overijse, Londerzeel, Vilvoorde, Grimbergen, Strombeek, Tervuren enz.

 

In een groot gebied rond de hoofdstad maken de stijgende grondprijzen het voor de plaatselijke bevolking onmogelijk om er nog langer te blijven wonen.

 

De sociale verdringing zet zich hoe langer hoe sterker door. Dit fenomeen blijft overigens niet meer beperkt tot de provincie “Vlaams-Brabant”. Ook de provincies “Antwerpen” en “Oost-Vlaanderen” worden ermee geconfronteerd.       

 

LE RIDICULE NE TUE PAS                                                          

 

Sinds het einde van de 19de eeuw kwam in België stilaan de democratisering op gang. In “Binnen-Vlaanderen” werd het Frans teruggedrongen. In Bussel en omgeving heeft dit democratisch proces zich echter niet doorgezet.

 

De  in Vlaanderen nog al te vaak versmade Brusselaars zijn in feite de eerste en de ergste slachtoffers geworden van het meest verfransende regime dat de Zuidelijke Nederlanden ooit gekend hebben: het Belgische.   

 

Dr. H. Van Velthoven vatte treffend samen waar het België werkelijk om te doen was: “Kortom in de Brusselse agglomeratie begon zich te realiseren wat de Belgische (!) taalideologie sinds 1830 als streefdoel voor het hele land (!) voor ogen had gestaan. En wat het in Vlaanderen op grond van statistisch cijfermateriaal nog niet en niet meer hard zou weten te maken: tweetaligheid die Frans-ééntaligheid rechtvaardigde en die de kennis van het Vlaams overbodig maakte”.   

 

In de “golden sixties” zette de ommekeer in de Belgische machtsverhoudingen  zich steeds verder door. Terwijl in Vlaanderen de welvaart steeg, ging Wallonië steeds sterker achteruit.

 

Die evolutie had ook gevolgen op politiek gebied. Gaandeweg verloren de Franstaligen hun machtsposities in Vlaanderen. Steeds luider klonk de eis om meer autonomie niet alleen op het vlak van onderwijs en cultuur maar ook op sociaal-economisch gebied.

 

Na verloop van tijd groeide echter bij de Vlamingen de zelfgenoegzaamheid: “Wij zijn er gekomen!”. Sommigen vonden het trendy meewarig te doen over “die kleingeestige communautaire twisten”. De politici moesten zich eens eindelijk gaan bezig houden met de “echte problemen van de mensen”.

 

Zeer merkwaardige redenering!

 

In Franstalig België immers hebben de socialisten of groenen er nooit het minste probleem mee gehad om, naast hun eigen specifieke strijdpunten, ook voortdurend en zeer resoluut op te komen zelfs voor privileges van de Franstaligen in …Vlaanderen. Ten Noorden van de taalgrens is dit veel minder het geval.

 

Op 18 november 2007 stapten zelfs een aantal Vlamingen mee op in een Belgicistische betoging “Red de solidariteit”. In die manifestatie werden onder meer borden meegedragen met: “Dank U voor de verfransing!”.

 

Treffend detail: de organisator van dit evenement, Marie-Claire Houard, bleek achteraf niet eens in staat de pers in het Nederlands te woord te staan…  

   

De aartsmoeilijke regeringsvorming na de verkiezingen van 10 juni 2007 zorgde voor een grote ontnuchtering. Meer en meer Nederlandstaligen beginnen te beseffen hoe wankel de Vlaamse welvaart en macht nog altijd zijn. Ondanks de vastlegging van de taalgrens, ondanks de overheveling van Leuven-Frans naar Wallonië, ondanks een hele reeks staatshervormingen… toch blijken de Franstaligen nog steeds niet bereid de democratische spelregels te respecteren en Nederlands te spreken in het Nederlandse gewest. Nederlandstaligen in Wallonië hebben zich steeds probleemloos geïntegreerd, zoals het hoort. Het omgekeerde is echter niet waar. Precies door privileges op te eisen in het Nederlandse gewest creëren de Franstaligen - en niemand anders - “communautaire problemen”.

 

Merkwaardig genoeg zijn uitgerekend de Franstaligen de eersten om te beweren dat dit allemaal “valse problemen” zijn die de aandacht afleiden van de zogenaamde “echte problemen”. Begrijpe wie kan !  

 

Het wordt helemaal een “Belgenmop” wanneer men rekening houdt met het volgende.

 

Steeds meer Walen ondervinden dat zij - om in Vlaanderen en Brussel werk te vinden - Nederlands moeten kennen. Precies daarom investeert zelfs de Franse gemeenschap heel wat geld in lessen Nederlands.

 

En wat gebeurt er op datzelfde moment ?  Op datzelfde moment vertikken francofone inwijkelingen in de omgeving van Mechelen, Aalst en Leuven het om Neder-lands te spreken met hun medeburgers.

 

Toch krijgen zij in de rand van Brussel de gedroomde gelegenheid om volledig gratis en op een vlotte manier Nederlands te leren spreken met hun buurman, hun winkelier, hun gemeentebestuur enz.

 

Op de koop toe zouden zij, precies door zich te integreren, eindelijk eens een authentiek signaal geven  dat zij het inderdaad goed menen met België.          

 

Op 18 maart 2000 gaf ik - in het Engels - een lezing voor de “International Business Women Association” (IBWA). Meer dan honderd dames, waarvan er een aantal topfuncties bekleden in het zakenleven, de administratie, de Europese en internationale instellingen, hoorden wat er sinds 1830 in België was gebeurd met de Nederlandstaligen en vooral met Brussel.

 

De buitenlandse toehoorders waren verbijsterd. Zij konden hun oren niet geloven. Een Amerikaanse riep uit “Really ! Did this happen in Belgium ? Now we understand why the Dutch speaking people in Belgium are so alert about their language”. “What happened in Brussels and surroundings was a real cultural and linguistic genocide”.   

 

Wie wil weten wat het probleem in België is moet inderdaad gewoon eens nagaan wat er sedert 1830 in Brussel en omgeving gebeurd is.

 

Er zit inderdaad systeem in deze waanzin.

 

Het gaat al lang niet meer om de zes “randgemeenten” en om het brede ommeland van Brussel. Bij het begin van de 21ste eeuw worden niet alleen gemeenten in de buurt van Leuven (provincie Vlaams-Brabant) maar ook in de omgeving van Mechelen (provincie Antwerpen) en Aalst (provincie Oost-Vlaanderen) geconfronteerd met de “sociale verdringing”. Op hun beurt lopen zij nu het gevaar hetzelfde lot te delen dat “Brussel-stad” te beurt viel tijdens de 19de eeuw.

 

 

 

In november 2007 vroegen de franstaligen de aanhechting van 40 bijkomende gemeenten bij Brussel. Wanneer die eis wordt ingewilligd dan worden niet meer de inwoners van “Vlaams-Brabant” maar die van “Oost-Vlaanderen” en “Antwerpen” volop geconfronteerd met die “valse problemen”.

 

Mensen met doorzicht beseffen dat wat er in Brussel en in “de Rand” gebeurt op niet zo heel lange termijn wel eens een dodelijke dreiging zou kunnen vormen voor Vlaanderen zelf.

 

Dit brengt sommigen tot een wel bijzonder kortzichtige reactie: “Laat Brussel vallen ! Dan zijn al onze problemen opgelost”. Welnu: precies het opgeven van Brussel vormt een uitstekende basis om in heel Vlaanderen de positie van het Nederlands te ondergraven.

 

Wie het ernstig meent met de “democratie” en met de “mensenrechten” kan niet anders dan zich verzetten tegen een soortgelijke “sociale verdringing”.

 

Een dergelijk “natuurlijk proces” waarbij de sterkere de zwakkere verdrukt, vormt immers de flagrante negatie van fundamenteel democratische beginselen.

 

Kolonisering en racisme vallen immers niet te rijmen met “democratie”.

 

Het ware dan ook beter geweest een betoging te houden niet onder de schijnheilige slogan: ”Red de solidariteit” maar wel onder het motto: “Red de democratie. Stop de hypocrisie”.

 

 

 

Paul De Ridder Brussel&Firenze

Paul De Ridder Brussel&Firenze

Paul De Ridder Brussel&Firenze

Paul De Ridder Brussel&Firenze